19 – 21 april 2026
Onze
eerste stop in Nepal is Bouddha, een voorstad van Kathmandu waar een enorme
stoepa staat. Yadu zet ons in een taxi die ons naar ons hotel brengt. Goed
geregeld allemaal. Toch?
Maar
wanneer we arriveren bij het sfeervolle, door monniken geleid hotel dat wordt
aanbevolen in de reisgids lijkt de receptioniste ergens mee in haar maag te
zitten. Met ons dus. Sorry sorry sorry full. Wat blijkt? Door de oorlog in het
Midden Oosten kunnen sommige gasten niet terug en houden ze onze mooie kamer
met balkon en ontbijt bezet. De vrouw heeft sorry sorry een ander adres geboekt
en zorgt sorry sorry voor een taxi die ons er naartoe brengt. Een verlaten
appartementencomplex in een donker steegje. Boven wacht ons een ruim, maar kaal
en sfeerloos appartement. Het is te laat om nog iets anders te regelen, we doen
het er maar mee. Bedankt Trump!
Gelukkig
maakt de stoepa alles goed. We lopen er in het donker nog een paar rondjes
omheen en dineren bij een rooftop restaurant met uitzicht op het prachtige, met
vlaggen versierde bouwwerk. In 2004 waren we hier vaak – Bouddha was onze
uitvalsbasis - en de sfeer is nog steeds
zo magisch als we ons herinneren. Ook Wende is zwaar onder de indruk en zegt
nog nooit zoiets moois te hebben gezien.
Na een prima nacht slapen lijken we in een klap alle vermoeienis en jetlag te hebben afgeschud. Yadu haalt ons op en brengt ons naar zijn bedrijf, elders in Bouddha. ‘Greenland’ heet het en het blijkt een trainingscentrum te zijn voor horecapersoneel. In de bescheiden kantoorruimte aan de hoofdstraat bevinden een leslokaal, een restaurantje met twee tafeltjes, een keuken en zelfs een ruimte met werkbladen waar leerlingen bezig zijn sushi te maken. Eigenlijk is het bedrijf eigendom van Neta, Yadu’s vrouw, en zij bestiert de boel vanaf de receptie bij de ingang.
Uiteraard is het een prima plek voor de lunch en die krijgen we uitgeserveerd in her restaurantje: dal bhat, het nationale gerecht van Nepal. Rijst met linzen, diverse schaaltjes groenten, yoghurt, papadum en in dit geval ook nog geitenvlees. Het smaakt heerlijk – mitosa – en voor de zoveelste keer prijzen we ons gelukkig dat Wende, die zit te genieten, zo’n avontuurlijke eter is.
Daarna
op pad. We besluiten naar Pashupatinath te wandelen, de bekende
Hindu-crematieplaats aan de rivier Bagmati, precies waar deze uit een ravijn
stroomt. In 2008 hebben Christel en ik dezelfde wandeling gemaakt, toen door
een ruraal landschap van akkertjes en kleine huisjes – nu is er geen groen meer
te bekennen, alles is volgebouwd. Deze verandering is tekenend voor Nepal. De
vallei van Kathmandu, de landbouwschuur van het bergachtige land, hoort tot een
van de snelst groeiende agglomeraties van Azië: de bevolking is verdubbeld en
het landbouwareaal met 80% afgenomen. Met rampzalige gevolgen: voedseltekort –
veel wordt uit India geïmporteerd – en enorme luchtvervuiling. Konden wij
destijds nog mooie plaatjes schieten van tempels tegen een achtergrond van
sneeuwwitte bergen, nu zijn die bergen niet meer te zien. Een deken van smog
hangt dag in dag uit over de vallei.
Wat
niet is veranderd: Pashupatinath zelf. Een tempelcomplex langs beide oevers met
stenen verhogingen aande waterkant, de burning ghats, waarop dag en nacht
crematies plaatsvinden. Terwijl wij toekijken zijn er twee gaande. Ondanks het
feit dat het complex aan de rand van het chaotische Kathmandu ligt, pal naast
de luchthaven, hangt er een fijne, rustige sfeer. Daar veranderen zelfs de
rondrennende apen niets aan.
We hebben nog wat tijd over en nemen een taxi naar Patan, een andere voorstad van Kathmandu. Ooit, van de 16 tot de 18 eeuw, de gouden tijd van Nepal, was dit, een van de drie koningssteden van Nepal, samen met Kathmandu en Bhaktapur. In al deze steden verrezen identieke pleinen vol tempels en een paleis, Durbar Square geheten. In 2004 was Durbar Square van Patan het eerste dat Christel en ik zagen van Nepal en het maakte toen een verpletterende indruk op me. Zulke prachtige, eeuwenoude tempels van rode steen, versierd met uitbundig houtsnijwerk.
Het staat er nog steeds allemaal – niet vanzelfsprekend, want een groot deel is door de aardbeving van 2015 ingestort of beschadigd geraakt (zie HIER), maar dankzij Chinese steun is in sneltreinvaart de restauratie ter hand genomen. We drinken een lassi, lopen wat rond, zitten een tijdje te kijken. Nauwelijks Westerse toeristen, valt ons op. Wel veel toeristen uit eigen land, ook een fenomeen van de laatste 20 jaar.
Yadu
regelt een taxi terug, via een soort Uber, super handig. De rit door het
chaotische verkeer duurt lang en volgt grotendeels een stinkende rivier met een
kleur die weinig goeds belooft. Tegen zessen zijn we terug in Bodha. ’s Avonds
eten we bij Chinees restaurant ‘Normal’, weer met uitzicht op de stoepa. We
zijn de enige gast. De geschiedenis van 2004 lijkt zich te herhalen: toen waren
er nauwelijks toeristen vanwege een burgeroorlog, nu is onduidelijk wat er aan
de hand is. Want de periode april-mei, voor de moesson, hoort tot het
hoogseizoen.
De
volgende dag pakken we met Yadu de bus naar Kathmandu. Eerst regelen we een trekking permit bij het
Tourist Department en daarna wandelen we naar Durbar Square waar we het museum
bezoeken, gevestigd in het voormalige koninklijke paleis. De monarchie is in
2008 afgeschaft (waarmee het enige Hindoe-koninkrijk ter wereld verdween),
Nepal is nu een republiek; dat heeft het land vooralsnog niet minder corrupt
gemaakt, maar vorig jaar vond er een soort revolutie plaats, de ‘Gen Z
opstand’, toen duizenden jongen mensen de straat opgingen en verandering
eisten. De oude kliek trad af, er kwamen verkiezingen en die zijn vorige maand
met overmacht gewonnen door een 36-jarige ex-rapper, Sjah, van wie nu veel
wordt verwacht.
Inbegrepen
bij het museum is de beklimming van een negen verdieping hoge toren, de
Basatpur Tower, vanwaar je een groot deel van de vallei kunt overzien en de
wirwar aan bebouwing in allerlei kleuren.
Als
lunch eten we momo’s, “the most famous momo’s” aldus het restaurantje, en dan
wandelen we door drukke winkelstraten weer naar de hoofdweg voor de bus terug
naar Bodha. We pikken onze bagage op en hup, stappen weer een taxi in. We gaan
namelijk twee nachtjes naar Bhaktapur, een ritje van 30-40 minuten. Hier in de
buurt woont Yadu namelijk. Oorspronkelijke plan was om te logeren ijn zijn
nieuwe huis, maar helaas moest hij vorige week teleurgesteld melden dat het nog
niet klaar voor ontvangst was, en daarom hebben we een hotelletje geboekt,
Tulaja Boutique Inn, midden in het centrum. Een verademing na ons kale
appartement. Een bescheiden suite van twee kamertjes en een balkon in een oud,
sfeervol pand vol trappen en hoekjes. Als we op het dakterras een Ghorka-biertje
drinken, zien we de zon – bloedrood van vervuiling - ondergaan achter de daken van het eeuwenoude
Bhaktapur. ’s Avonds eten we bij restaurant Lotus, op het dakterras hoog boven
het prachtige Taumadhi Plein waar nog wat laatste klanken rondhangen van een
traditionele muziekgroep. Het lijkt alsof we hier al heel lang zijn, zegt Wende
– maar het is pas dag drie.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten