Elberadweg

We’d go down to the river

And into the river we’d dive

Oh, down to the river we’d ride.

Bruce Springsteen – The river

 

Voor ons jaarlijkse fietsweekje kwamen Wim en ik dit keer terecht bij de Elberadweg. Deze fietsroute volgt de rivier de Elbe vanaf de bron in Tsjechië tot aan de monding voorbij Hamburg in de Noordzee, 1300 kilometer verderop. Alles bij elkaar natuurlijk te ver voor ons, dus we kozen het stuk tussen Dresden en Praag, naar verluidt het mooiste deel.


Eerste keus was dat overigens niet. Aanvankelijk zouden we namelijk naar Denemarken gaan om een deel van de Oostzeekustroute te fietsen. Boekje gekocht, route uitgestippeld, zin in. Maar toen de weersvoorspelling somberder en somberder werd besloten we een dag voor vertrek de koers te verleggen, en zo kwam het dat we op zaterdag ineens richting Dresden boemelden met de fietsen achterop de camper - zonder boekje en zonder route, maar nog steeds met zin.

We overnachtten op een gratis camperplek ergens op een heuvel boven Dresden. De volgende ochtend (zondag) moesten we eerst de Elbe zien te vinden; dat betekende dus naar beneden, en hoe! Koud waren we op de fiets gestapt of we denderden al met 55 kilometer per uur richting rivierdal, en door de ontstellende natuurkrachten die daarbij vrijkwamen - lees: wind -  werd Wims petje genadeloos van het hoofd gerukt. Gelukkig kon hij een reserve-exemplaar opdiepen uit de gloednieuwe fietstassen die hij vlak voor vertrek nog had aangeschaft en die hem, in combinatie met een nieuwe fiets, een professionele uitstraling verleenden waar hij 25 jaar eerder, tijdens onze eerste geïmproviseerde fietstocht (zie HIER), alleen maar van had kunnen dromen. Sowieso waren de tijden veranderd. Want als succesvolle bitcoinbeleggers dan wel huisjesmelkers waren wij tegenwoordig per ongeluk mannen in bonus geworden en konden wij rustig elke dag buiten de deur lunchen en dineren als we dat zouden willen. En dat wilden we zeker, zoals hierna zal blijken.

Zonder verdere kleerscheuren bereikten we de Elbe en zochten in het centrum van Dresden een terrasje op voor een zondagse cappuccino. Het was verleidelijk de stad in te gaan, maar we dwongen onszelf om toch weer op de fiets te stappen en de Elberadweg op te zoeken, fietsroute 2, herkenbaar aan de gele bordjes. 


De eerste twee uur vonden we het erg druk. De route voerde over de rechteroever die hier breed en parkachtig was en er werd veel gefietst en gewandeld op deze zonnige zondagmiddag in mei. Pas na 25 kilometer, voorbij Pirna waar we onszelf trakteerden op een degelijk Duits broodje spiegelei, werd het rustiger. Een prima fietspad, hier en daar wat heuvelachtig. Rechts van ons was steeds een helling waarover een spoorlijn liep, links de dichtbegroeide oever met daarachter de traag stromende rivier waar nauwelijks boten voeren, slechts af en toe een plezierjachtje of een veerpontje. Aan de overkant werd het landschap steeds heuvelachtiger tot we tegen een massieve rotswand zaten aan te kijken. Dit was het nationale park Saksisch Zwitserland, een zandsteengebergte vol kloven en spectaculaire rotsformaties en het mooiste deel van de route.



Aan het eind van de middag arriveerden we bij de grens met Tsjechië, niet meer dan een bordje met een picknicktafel. Vandaar was het nog 15 kilometer naar de dichtstbijzijnde camping, in Decin. Onderweg speurden we nog naar een plekje om wild te kamperen, maar ingeklemd als we zaten tussen spoorbaan en oeverjungle zagen we niets geschikt en uiteindelijk zetten we onze tentjes dus gewoon maar tegen betaling van ouderwetse Tsjechische kronen neer op een daartoe geëigend grasveldje in Decin dat aanvankelijk weinig aanlokkelijk leek, verstopt als het was tussen fly-overs van een autoweg, maar dat toch een soort van coole vibe leek te hebben. We slaagden erin vlak voor sluitingstijd nog bier en een pizza Cosa Nostra te bemachtigen bij het door twee jonge Tsjechische meiden gerunde snackbarretje op de camping.

Kijk die mooie tassen eens... 

De volgende ochtend (maandag) was het warm en zonnig. Rond tienen vertrokken we. Van een andere vakantiefietser, een vrouw uit Estland, hoorden we dat er zo’n 70 kilometer verderop weer een geschikte camping was, dus daar focusten we ons op. De route liep nu over de linkeroever en volgde ietwat vrijblijvend de Elbe, die hier in Tsjechië Labe bleek te heten. We koersten door verlaten boerenlandschap en passeerden af en toe kleine dorpjes met fraaie, geel getinte kerkjes. Noord-Bohemen heette deze streek, maar het werd ook wel ‘de tuin van Bohemen’ genoemd vanwege het warme klimaat. Nou, warm was het zeker die dag en voortdurend overwogen we om een dive in the river te nemen, maar we hadden er uiteindelijk geen puf in.

In plaats daarvan trapten we gestaag de kilometers weg. Grootste obstakel bleek een sluiscomplex waar het fietspad ineens doodliep op een ijzeren trap; zuchtend laadden we alle bagage af en sjouwden in de hitte een paar keer op en neer tot alle zooi inclusief fietsen aan de andere kant stond en we verder konden; pas later ontdekten we dat er een omleiding om de sluis heen ging waarvan we het bordje hadden gemist.

We lunchen in het plaatsje Litomerice en fietsten daarna nog een uurtje of wat pal langs de rivier tot we aankwamen in Vedomice waar zich de aanbevolen camping bevond, heel toepasselijk Cyclo Kemp genaamd. Maar hadden we een bruisende pleisterplaats voor avontuurlijke fietstoeristen zoals onszelf verwacht, dan kwamen we bedrogen uit, want we troffen een klein, leeg grasveldje naast een grote sporthal waar helemaal niemand leek te zijn. Pas na lang zoeken troffen we een wat oudere bardame die ons incheckte op een vooroorlogse computer die ze drie keer opnieuw moest aanzwengelen. Toch bleek Cyclo Kemp een fijne plek. We hadden alle ruimte, bomen om onze hangmatten op te hangen en bovendien exclusief de beschikking over een overdekte picknickplaats met tafels en stoelen. Die zou later nog heel goed van pas komen.

Eenmaal geïnstalleerd fietsten we naar het stadje om te eten. We passeerden daarbij een wildwaterbaan waar kanoërs aan het oefenen waren en kennelijk is dit in Tsjechië een populaire sport, want we zouden meer van dit soort wildwaterbanen tegenkomen. Na wat rondfietsen ploften we neer op een goedbezocht terras en troffen daar toevallig weer die Estse fietser met wie we onze ervaringen konden uitwisselen. Het bleek een doortastende tante die grotendeels vanuit Estland hier naartoe was komen fietsen. We sloten de dag af in onze hangmat en genoten nog even van de mooie lenteavond.







Want dinsdag bleek het te regenen, en flink ook. Hoe fijn dat we onze eigen overdekte picknickplaats hadden! We tilden onze tentjes er naartoe en konden in alle rust en droogte ontbijten, spullen inpakken en fiets opladen. Helaas werd het maar niet droog en tegen twaalven trokken we onze regenpakken aan en gingen op pad. Zo’n twee uur lang fietsten we door de regen en het klaarde pas op toen we Melnik naderden, een bekend wijnplaatsje met een kasteel bovenop een met druivenranken begroeide heuvel. Een pittoreske klinkerweg cirkelde naar boven en het was een taaie klim. We lunchten op een terrasje naast het kasteel, gebakken ‘Gouda cheese’ voor mij en varkensschnitzel voor Wim, met frietjes allebei. Toe maar.


Melnik ligt aan de samenvloeiing van de Elbe en de Moldau. Vanaf het kasteel kon je dat goed zien. De Elberadweg volgde natuurlijk de Elbe, maar de Moldau leidde naar Praag, vandaar dat we die kant kozen. We daalden we weer af naar beneden en stonden even later bij het begin van de Moldau, een sluisje met daarop een bordje ‘Kilometer 1‘. Vanaf hier moest het nog zo’n 50 kilometer naar Praag zijn en met hernieuwde energie zetten we koers naar de ‘Gouden Stad’ die nu onder voetbereik leek. Helemaal omdat we langs zo’n mythische rivier fietsten, de Moldau ofwel Vltava in het Tsjechisch, beroemd geworden door de romantische symfonie van Smetana die de loop van de rivier muzikaal verbeeldde, met fluiten voor de kleine bronnen en bekkens voor de woeste stroomversnellingen en van alles daar tussendoor. Ik herinner me nog heel goed hoe de muziekleraar op de middelbare school ons dit stuk liet horen.

Alleen… met ieder kilometerbordje leek Praag juist verder weg te liggen. We fietsten en fietsten maar, met toenemende zadelpijn. Halverwege raakten we ergens de weg kwijt en moesten langs een paar akelige drukke autowegen de rivier weer zien te vinden. Vervolgens dwong het fietspad ons omhoog, een bosrijke heuvel op, en verplichtte ons tot een lange klim naar het plaatsje Klecany, waar we noodgedwongen een rustpauze inlasten op een pleintje met spelende kinderen en een bankje vol blowende hangjongeren. Een cola en een mueslireep hielpen ons er weer bovenop. Heel ver kon het nou toch niet meer zijn en we besloten eindelijk maar eens een hotel te boeken. We vonden een spotgoedkoop appartement (€ 135 voor 2 nachten) in hartje Praag, het was bijna te mooi om waar te zijn! Zat er een addertje onder het gras?!

Enthousiast stapten we weer op en sjeesden naar beneden, terug naar de Moldau, voor de laatste 15 km (bleken er 19 te zijn). In een heerlijk avondzonnetje fietsten we de stad binnen te midden van vele hardlopers en fietsers die op deze mooie avond dankbaar gebruik maakten van de groene zone die de Moldau vormt. Het duurde heel lang voor de bebouwing ons insloot en toen waren we na twee, drie kleine straatjes al gearriveerd bij ons appartement. Hèhè, eindelijk. Goed gedaan! Bagage afladen, fietsen dubbel op slot tegen een boom aan. Inchecken. Eh… En toen bleek dat we slechts bij het kantoor van het boekingsbureau stonden en dat ons appartement zich heel ergens anders bevond. Dus: fietsen weer van het slot, bagage opgeladen en met een sleutel op zak verder richting centrum. Via een paar steegjes met kinderkopjes kwamen we uit op het Staromestske Namesti ofwel Plein van de Oude Stad, zonder twijfel het historische middelpunt van Praag. En in een zijstraatje hiervan vol souvenirwinkels, Zelezna genaamd, zat een houten deur waarachter we moesten zijn. Verwachtingsvol openden we de deur… en kwamen bij een smalle, steile wenteltrap die eindeloos doordraaide tot de vijfde verdieping, hoog boven ons, waar het appartement wachtte. Ai! Het addertje! Inmiddels hadden we 93 kilometer in de benen en ook al de nodige hoogtemeters; met een laatste, uiterste krachtsinspanning wisten we alle bagage naar boven te hijsen en toen konden we eindelijk, totaal verzuurd en bezweet, neerploffen op de bank en met een biertje proosten op de goede afloop. Het was een prima appartement, netjes en modern, van alle gemakken voorzien en met voor ieder een eigen slaapkamer. Plus natuurlijk prachtig uitzicht over Praag.


Half tien ‘s avonds was het ondertussen. We moesten nog eten en daarom gingen we weer de stad in en wandelden naar de beroemde Karelsburg met de heiligenbeelden. Het was nog steeds warm en druk, talloze toeristen schuifelden door de smalle straatjes. Op de terugweg kwamen we langs een aantal tafeltjes op straat van een Italiaans restaurant en daar namen we plaats en aten pizza en spaghetti met een lekker glas rode wijn voor mij, heerlijk allemaal. Het was het einde van een lange dag; gelukkig waren we morgen vrij.

Woensdag een dagje Praag dus. Voor mij was dit mijn vierde bezoek aan Praag (zie HIER), dus ik ken de stad wel een beetje, maar voor Wim was de stad nieuw dus wandelden we een rondje langs de bekende highlights: de astronomische klok op het Stadsplein, de Karelsbrug, de Burchtwijk met de Sint Vituskathedraal en, niet te vergeten, de John-Lennon-muur vol graffiti. 

Daarna was de pijp bij Wim leeg. Sowieso houdt hij niet zo van drukke toeristische plekken en bovendien kampte hij met datingperikelen, dus halverwege de middag keerde hij terug naar ons appartement en zette ik mijn schreden naar de Heilige Kerk van St. Cyrillus en Methodius waar zich in 1942 een klein oorlogsdrama heeft afgespeeld dat eigenlijk al een beetje in de vergetelheid was geraakt totdat de Franse schrijver Laurence Binet met zijn bestseller ‘Hhhh’ er in 2009 weer de schijnwerpers op zette.

Het gaat om het slotakkoord van operatie Anthropoid, ofwel de geheime missie van een handvol Tsjechische agenten om de toenmalige Reichsprotektor van het door Duitsland bezette Tsjechië te vermoorden. Dit was Reinhard Heydrich, bijgenaamd ‘het blonde beest’, als leider van de geheime dienst een van de machtigste en wreedste figuren in nazi-Duitsland. Na training in Engeland werden de agenten gedropt in Tsjechië waar ze in Praag een aanslag op de langsrijdende auto van Heydrich uitvoerden; de Duitser raakte zwaargewond en overleed een paar dagen later. De daders verstopten zich in de crypte van de kerk, maar werden verraden en pleegden zelfmoord toen een overmacht van 800 SS’ers hen met traangas en water uit de crypte probeerden te verdrijven.

In de crypte is nu een bescheiden museum gevestigd ter nagedachtenis van deze mannen die helden zijn in Tsjechië. Ik liep er rond samen met een Tsjechische schoolklas. Daarna wandelde ik in een half uurtje terug naar de binnenstad en dronk nog een biertje ergens op een sfeervol pleintje alvorens terug te keren naar ons appartement. ‘s Avonds aten we Indiaas bij een hippe lounge-achtige tent en daarna zaten we nog een tijdje rond te kijken op de trappen van het grote standbeeld ter ere van Jan Hus, een godsdiensthervormer uit de veertiende eeuw. Een grote kring Bruce Springsteen-fans zong liedjes met elkaar - ze moesten wàt nu het concert van The Boss zelf deze avond was afgelast wegens ziekte.

De volgende dag (donderdag) was het uit met de pret. Eerst alle bagage weer naar beneden sjouwen en de sleutel terugbrengen en daarna weer op de fiets voor de terugweg. Helaas was het weer ook omgeslagen: het was koud en regenachtig en het waaide. We wilden niet terugfietsen langs de Moldau en verlieten Praag via een andere route, maar hadden moeite de juiste weg te vinden door alle voorsteden. Uiteindelijk bereikten we na een uurtje of twee de Elbe weer, bij het plaatsje Brandys nad Labem. Hier stopten we voor een degelijke lunch bij een Italiaans restaurant: pasta, sinds jaar en dag steun en toeverlaat van iedere zichzelf respecterende wielrenner. 

Toen we weer opstapten begon er een waterig zonnetje te schijnen en de rest van de dag werd het weer steeds beter. Via meer of minder verharde jaagpaden koersten we noordwaarts langs de Elbe tot we aan het eind van de middag weer bij Melnik arriveerden, het charmante stadje waar de Moldau op de Elbe uitkwam. Hier hielden we het voor gezien: voor vandaag, voor helemaal. Het idee om dezelfde route weer helemaal te moeten terugfietsen, met wisselvallig weer in het vooruitzicht en onder hevige tijdsdruk, vonden we weinig aanlokkelijk. Liever stapten we dan op de trein - en dat kon, wisten we, want vrijwel de hele route hadden we langs de spoorbaan gefietst waarover zowat om het kwartier een treintje voorbij was geboemeld. Dus zetten we op de plaatselijke camping voor de laatste keer ons tentje op, gingen nog een keer lekker uit eten en sloten de avond af in onze hangmat, zachtjes wiegend onder de sterrenhemel.

Vrijdag de trein naar Dresden. Op papier klonk dat makkelijk, maar in de praktijk bleek het nog een hele onderneming, want omdat er geen fietsen mee mochten in de internationale trein - die er slechts drie kwartier over doet - waren we aangewezen op lokale treintjes die overal stopten en moesten we twee keer overstappen zodat we pas halverwege de middag aankwamen in Dresden. Toen moesten we natuurlijk weer die heuvel op fietsen naar de camper. Maar goed, uiteindelijk zaten we hoog en droog in de camper en konden we zonder problemen de 700 kilometer terug naar Utrecht rijden, waar we rond één uur ‘s nachts arriveerden. Alles bij elkaar hadden we dus een hoop kilometers gemaakt, waarvan zo’n 330 op de fiets. Zou ik de Elberadweg aanbevelen? Hmm, persoonlijk vond ik het wat saaiig om achter de bordjes aan steeds langs een rivier te fietsen en ik miste ook de vrijheid van het wildkamperen, maar het gemak waarmee wij mannen in bonus steeds buiten de deur aten maakte veel goed en natuurlijk was Praag als richtpunt een fantastisch doel. Tot de volgende keer!

25 - 31 mei 2024

Geen opmerkingen:

Een reactie posten