24 – 29 april 2026
Pokhara
is de tweede stad van Nepal en ligt centraal in het land, aan een groot
stuwmeer, Phewa Lake. Het is flink toeristisch: behalve springplank voor
trekkings is het ook dé plek voor bungeejumpen, paragliden, raften, noem maar
op. Eerlijk gezegd herkennen wij de stad niet meer terug.
In
2004 was dit een laidback plaatsje van een paar straatjes, waar je lassi kon
drinken aan tuintjes langs het water. Tegenwoordig wonen er 400.ooo mensen en
is Lakeside, de wijk aan het meer, een Westerse hotspot van bars, restaurants
en hotels die letterlijk een muur van vermaak heeft opgetrokken langs de
waterkant, zodat het meer niet meer te zien is. Wel loopt er nog een
wandelpad langs de oever; op het meer wordt volop gesupt en geroeid; de
overkant is nauwelijks te zien vanwege de luchtverontreiniging, ja ook hier.
Kortom, de tijd heeft ook in Pokhara niet stilgestaan.
Destijds gingen we hier met de bus naartoe, tien of twaalf uur afzien, maar daar hebben we nu geen tijd voor, dus laten we ons er in een half uurtje heenvliegen met Yeti Airlines. We blijven er een nachtje in een fraai hotel, de Butterfly Lodge, zodat we de volgende dag op tijd van start kunnen: eerst anderhalf uur met een busje naar Nayapool en dan een half uurtje lopen – de eerste meters – naar de entree van de Annapurna Conservation Area, het immense gebied dat zich uitstrekt tot de Chinese grens en een paar van de hoogste bergen van de wereld telt, zoals de Annapurna en de Dhaulagiri, die beide tot de exclusieve ‘8000-meter-club’ horen (er zijn wereldwijd 14 leden). Onze permit wordt gecontroleerd en daar gaan we dan.
| Do not trash... |
Dag
1, zaterdag
De
wandeling die we gaan doen heet de ‘Poon Hill Trek’, een vierdaagse tocht in de
uitlopers van de Himalaya tot zo’n 3200 meter hoogte. Het is een populaire trek
die als ‘eenvoudig’ te boek staat: niet te lang en niet te zwaar. Maar dat
laatste is relatief. Want die eerste dag, terwijl de zon brandt en het drukkend
warm is, stijgen we van 800 meter naar 2100 meter hoogte en dat gebeurt onder
andere via een eindeloze rotstrap van, schrik niet, 3200 treden – ofwel 10x de
Domtoren beklimmen. Het is afzien. Pas halverwege de middag wordt het bewolkter
en koeler en vallen er wat druppels.
Bij aankomst in Ulleri, het eindpunt, zijn we behoorlijk gesloopt, dat wil zeggen: Christel en ik, de boomers. Yadu en Yanik gaat het makkelijker af en ook Wende, om wie we vooraf zorgen hebben gehad, loopt als een berggeit omhoog, sterker nog, ze lijkt ervan te genieten.
Van de spectaculaire bergwanden vol terrassen met mais, de hangbruggen over de rivier, het collegiale cultuurtje van trekkers onder elkaar die allemaal zweten en hijgen. We kletsen met Italianen, een Australiër op leeftijd die het zwaar heeft, Maleisiërs enzovoort.
In Ulleri wacht ons het beste guesthouse dat we ooit in de bergen hebben gehad, met een ‘western toilet’ en zelfs een warme douche. Zulke luxe hadden wij in 2004 niet. Opgefrist belonen we onszelf met bier en sprite, leren Yadu en Yanik pesten, eten dal bhat en…gaan vroeg naar bed. De slaapzakken die ik heb meegesjouwd blijken niet nodig: er zijn dekens en heel koud wordt het bovendien niet. Lekker dan.
Dag
2, zondag
De dag begint met een heldere hemel en een eerste glimp van de wit besneeuwde flanken van de Annapurna. Om 8:45 klimmen we weer verder omhoog, nu naar Ghorepani op 3000 meter, weer een stuk hoger dus, maar ditmaal is het pad iets gelijkmatiger en beter te doen. Onderweg lopen we langs de veelgeroemde rododendronstruiken waar deze trekking bekend om staat, maar ze zijn al uitgebloeid helaas.
Lunch
slaan we over, we lopen in een keer door en arriveren rond half twee bij
Dhaulagiri Guesthouse. Net op tijd! Want niet veel later begint het stevig te
regenen en menige wandelaar komt als een verzopen kat na ons binnen druipen. Vrijwel
de hele middag en avond blijft het regenen en onweren, er slaat zelfs pal voor
onze neus bliksem in, in een elektriciteitspaal lijkt het. In het hele dorp
valt de stroom uit; ons guesthouse blijkt echter een generator te hebben.
We doden de tijd met ‘dumbal’, een vermakelijk Nepalees kaartspel dat Yadu en Yanik ons leren. En daarna eten Christel en ik weer dal bhat, Wende een fried rice/noedel/chowmein-variant waar ze dol op is en Yadu en Yanik…die eten niet, dat wil zeggen, net als alle gidsen en dragers krijgen ze hun maaltijd (uiteraard dal bhat, Nepalezen eten werkelijk niets anders) pas als alle toeristen hun buikje rond hebben en duidelijk is wat de pot nog schaft.
Het
voelt als 21-eeuws kolonialisme, maar Yadu vindt het logisch, want eten en
logies zijn voor hen gratis, legt hij uit. Enige voorwaarde is een bescheiden
donatie aan de community, waarvoor hij keurig een kwitantie krijgt. Om die
reden geeft hij zich als gids uit, wat hij in zekere zin ook is voor ons, want
hij regelt alles.
Als we gaan slapen blijken de slaapzakken niet nodig: er zijn dekens en heel koud wordt het niet. Lekker dan.
Dag
3, maandag
Ook
vandaag begint weer zonnig en het uitzicht dat zich openbaart vanuit ons
guesthouse is spectaculair: links het enorme Dhaulagiri-massief, rechts de
Annapura. (Toevallig, niet toevallig ben ik een boek aan het herlezen over de
eerste beklimming van de Annapurna in 1950, een ijzingwekkend verslag dat ik in
2004 in Nepal kocht. De klimmer was Lionel Terray en het was een triomf, maar
het kostte hem wel al z’n vingers en al z’n tenen die op de terugweg zonder
verdoving en zonder genade werden geamputeerd.) Om 7:30 zitten we aan een
ontbijt van Tibetan bread en pannenkoek; Yadu en Yanik hebben er dan, net als
de meeste toeristen, al een beklimming opzitten naar Poon Hill om de zonsopgang
boven de Himalaya mee te maken – voor ons te vroeg en te koud, wij hebben wel
genoeg zonsopgangen gezien in ons reisbestaan.
Na
vertrek klimmen we weer een uurtje, naar Deurali Pass op 3165 meter hoogte, een
uitzichtpunt met een prachtig panorama van alle bergreuzen. Het is hijgen
geblazen, je merkt de hoogte. Vanaf hier begint de afdaling en hobbelen we
gestaag neerwaarts door prachtige, sprookjesachtige bossen vol eiken en
rododendrons die hier, op grotere hoogte waar het gemiddeld kouder is, nog wel
in bloei staan en de omgeving regelmatig in een fraaie rode goed zetten.
Het
is drukker hier, hele groepen Chinezen in pico bello uitrusting met
wandelstokken passeren ons. Dit stuk van de route leidt ook naar andere
trekkings, zoals de bekende ‘ABC’, Annapurna Base Camp, waarbij je in 12 dagen
naar het basiskamp van de bergbeklimmers op 42oo meter hoogte loopt.
Aan
het einde moeten we nog een uurtje omhoog, naar Tadepani, waar we rond half
drie arriveren en een simpele hoekkamer krijgen toegewezen, in principe een room
with a view, ware het niet dat er dichte, dichte mist hangt en we
nauwelijks de overkant van de binnenplaats kunnen zien. Het is het vaste
patroon kennelijk: ’s ochtends helder, daarna wolken gevolgd door regen. Ook nu
regent het weer de hele avond. Dus is het recept bekend: bier en frisdrank,
popcorn, kaarten, dal bhat en op tijd naar bed.
Slaapzakken
niet nodig. Dekens en niet koud. Lekker dan.
Fishtail Lodge is de naam van ons verblijf en dat heeft een reden: vanaf hier hebt je uitzicht over de Machapuchare ofwel Fishtail Mountain (vanwege z’n twee punten) van 7 kilometer hoogte. Maar niet vandaag: er hangt opnieuw mist.
In een
nattige atmosfeer dalen we in sneltreinvaart af door het bos, tot we een uurtje
of drie later arriveren in Ghandruk op 2000 meter hoogte. In principe is dit
het eindpunt. De weg is namelijk gevorderd tot dit plaatsje en de meeste
trekkers stappen hier op een jeep richting Pokhara; wij hadden thuis echter
besloten hier nog een nachtje te blijven en te genieten van de befaamde hot
springs van Ghandruk – had papa goed uitgezocht. Helaas blijken ze zich in
een dorpje verderop te bevinden, drie uur lopen hier vandaan, dus dat feest
gaat niet door. Maar toch liever hier dan weer in dat drukke, toeristische
Pokhara, vinden wij.
Na
de lunch lopen we een rondje – lees: de berg af en weer op – en bezoeken onder
andere een door een oud vrouwtje bestierd miniatuurmuseum gewijd aan de cultuur
van de Gurung. Dat is de bevolkingsgroep die hier in de bergen leeft. Nepal
telt tientallen etnische soorten, met evenzoveel talen, al spreekt iedereen ook
Nepalees en leeft men vreedzaam samen. Het beruchte Hindoe-kastensysteem dat
hier lang bestond is al jaren geleden afgeschaft. De Gurung zijn vooral bekend
als strijders, de zogeheten ‘Ghorka’s’, legendarische vechtjassen die
regimenten leverden voor allerlei legers, het Britse bijvoorbeeld. Op dit
moment vechten enkele honderden aan Russische zijde in Oekraïne.
Onze trekking is ten einde. We vieren het met, je raadt het al, bier en popcorn, dal bhat en kaarten en daarnaast spelen we ‘Imposter’, een favoriet spelletje van Wende dat Yanik ook blijkt te kennen (zoals ook dat raadselachtige ‘six-seven’ in Nepal blijkt doorgedrongen). Hij is pas 12, maar we verbazen ons over zijn verbluffende Engels. Voor zover hij zijn mond opendoet, want hij is van nature wat verlegen en lijkt geïntimideerd door drie van die vreemde Westerlingen – maar bij spelletjes komt hij een beetje los.
Nog een nachtje in de bergen en dan morgen terug naar de beschaving: eerst naar Pokhara en dan de vlucht naar Kathmandu en onze hotelkamer met schone kleren en andere schoenen. Denken we. Maar het zal anders lopen.
Slaapzakken. Niet koud. Lekker dan.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten