Juli 1990
We waren nu acht dagen in Engeland en hadden 500 kilometer gefietst. Als je op de kaart keek, zag je dat we ongeveer op de helft zaten van Zuid–Engeland. Maar we moesten ook nog helemaal terug natuurlijk, dus er was nog wel werk aan de winkel.
Toch deden we het
rustig aan en namen we regelmatig een rustdag. Zoals in Marlborough , en toen
we eenmaal van Marlborough naar Bath waren gefietst, zo'n 70 kilometer
verderop, bleven we daar ook weer een dagje om de stad te verkennen.
Bath – de naam zegt het al – dankt zijn faam aan
zijn baden. Het is de enige plek in Engeland met natuurlijke hete bronnen en
daar maakten de Romeinen, die vast niet kapot waren van het Engelse klimaat,
dankbaar gebruik van. Ook later bleef het een bekend kuuroord waar Jane Austen
een paar van haar romans situeerde. Bath is een buitengewoon aantrekkelijk
plaatsje, gebouwd in een vallei aan de oevers van de rivier Avon; het centrum
bestaat goeddeels uit elegante, 18e-eeuwse gebouwen die zijn
opgetrokken uit zogeheten 'Bath stone', ofwel een honingkleurige soort
kalksteen die officieel ooliet heet. Wij bezochten uiteraard de Romeinse baden
en hingen wat rond in het plaatsje.
De
dag daarna was het woensdag 1 augustus 1990. Ik zeg dat zo nadrukkelijk, omdat
dit misschien wel de mooiste fietsdag was die ik ooit heb mogen meemaken.
Vanuit Bath koersten we in zuidwestelijke richting. Het was andermaal heerlijk
weer en we waren lekker aan het fietsen. Op een gegeven moment kwamen we in de
Mendip Hills, een bescheiden heuvelgebied met kalkstenen rotsen, en kregen we
kilometer na kilometer vals plat voor de kiezen. Dat wil zeggen: het lijkt
alsof de weg vlak loopt, maar toch ben je zwaar aan het trappen omdat de weg in
werkelijkheid wel degelijk ietsje omhoog loopt. Dat kan knap vermoeiend en
frustrerend zijn als het lang duurt. En dit duurde lang! Maar toen... Ineens
hadden we het hoogste punt bereikt kennelijk, want alsof we een drempel waren
gepasseerd begonnen we plots te dalen, steeds een beetje sneller, tot we in
vliegende vaart naar beneden raceten terwijl aan weerszijden van ons de rotsen
hoger en hoger werden en we in een heuse canyon verzeild raakten. We
bleken Cheddar Gorge te zijn binnengereden, een van de meest spectaculaire
natuurverschijnselen in Engeland. Het was een totale verrassing voor ons.
Niet ver voor het einde stuitten we op parkeerplaatsen met auto's en touringcars. Hier bevonden zich de populaire Cheddar Caves. We knepen in onze remmen en stapten af. We bezochten de grotten, waar in 1903 een skelet van 10.000 jaar oud is gevonden, de zogeheten ‘Cheddar Man’, een jager-verzamelaar uit het midden van de steentijd en de oudste Engelsman die er bestaat. Daarna klommen we ook nog via een trap in de rotswand (Jacob's Ladder genaamd) naar een uitzichtpunt vanwaar je kilometers ver uitzicht had over het Engelse platteland, ofwel de groene weiden van graafschap Somerset. We dronken een welverdiend colaatje en keken ernaar.
Aan de horizon zagen we een klein pikkeltje: dat was Glastonbury Tor, ons einddoel van vandaag. Dus daar gingen we weer. We stapten op de fiets, rolden nog wat verder naar beneden en passeerden aan de voet van de canyon het bekende kaasdorpje - Cheddar - waar het ravijn zijn naam aan dankte. Daarna fietsten we verder en brachten een bezoekje aan het plaatsje Wells, waar we een blik wierpen op de enorme kathedraal.
En toen was het tijd voor Glastonbury. Terwijl we naderden – het was een kilometertje of zes nog – zagen we de heuvel met het torentje steeds groter worden; eenmaal ter plekke vonden we een mooie camping aan de achterzijde van de heuvel, The Old Oaks Touring Park, met fraai uitzicht over de omgeving. Vanaf hier was het een minuut of twintig lopen naar de Tor, ik weet alleen niet meer of we dat diezelfde avond nog gedaan hebben, vermoedelijk niet. Genoeg mooie dingen gezien op één dag.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten