Juli - augustus 1987
Voor ik Schotland verliet, wilde ik graag nog een
keer de zo gastvrije familie Donald bezoeken. Dat betekende dat ik van de
westkust helemaal terug naar de oostkust moest. Het gaf mij de gelegenheid nog
een paar historische bezienswaardigheden mee te pikken, plus een beroemd
monster.
| Glencoe |
Ik begon met Glencoe, niet zo heel ver van Oban. Een prachtige vallei in de bergen waarvan de naam ‘vallei der tranen’ betekent. Hier werden in februari 1692, hartje winter, zo’n 30 leden van de plaatselijke stam of clan, de MacDonald’s, afgeslacht zogenaamd omdat zij weigerden trouw te zweren van de nieuwe koning van Engeland, William III (onze eigen Willem van Oranje), in werkelijkheid omdat de Engelsen al die onafhankelijke clans in het noorden een beetje zat waren. Triest verhaal. Ergens in de vallei stond een herdenkingskruis en er was een wandelroute uitgezet langs alle relevante plekken, maar de eerste kon ik niet vinden en de tweede had ik geen zin in, en eigenlijk ook geen tijd voor: ik wilde diezelfde dag nog door naar Inverness. Dus liftte ik verder.
De route van Glencoe naar Inverness voert door het
hart van de Schotse Highlands, een adembenemend panorama van bens, glens
en lochs waar een tweebaansweg doorheen kronkelde. Leuk voor
sight-seeing, helaas trof ik een chauffeur met bloedspoed, en dat letterlijk:
de man, een taxichauffeur, vervoerde bloedmonsters van Fort William naar
Inverness en er was sprake van ‘emergency’, een patiënt zat te wachten op een
bloedtransfusie. “Met een bloedgang raasde de man over de
smalle weg, gevaarlijk manoeuvrerend. Onderwijl zag hij kans een geanimeerd
gesprek te voeren, waarin hij vertelde over zijn carrière als portier van een club
in Edinburgh. Hij liet me zelfs zijn littekens zien, veroorzaakt door messen,
bierglazen.” Een leuke
lift, zonder meer, concludeer ik toen ik ongedeerd uitstapte.
In Inverness bleek de camping vol te zijn, een
grote verrassing na alle meer of minder verlaten campings die ik al weken trof.
Zonder tijd te verliezen stak ik mijn duim weer op en liftte dezelfde weg een
eind terug, naar een dorpje met de smurfennaam Drumnadrochit dat aan Loch Ness
lag en de standaard plek was om te bezoeken als je het beroemde meer wilde zien.
Hier wilde ik sowieso naartoe. Ik zette m’n tent neer op een vermoedelijk als
camping bedoeld veldje naast een boerderij – vermoedelijk, omdat ik nooit een
opzichter heb gezien en dus ook niet hebt betaald. Daarna ging ik naar de pub
waar een in kilts gestoken bandje de verzamelde
toeristen vermaakte.
De volgende ochtend bezocht ik in alle vroegte
Castle Urquhart, de ruïne van een 13e-eeuws kasteel pal naast het
water en decor voor alle klassieke Loch Ness-ansichtkaarten. Het ging pas om
half tien open, twee uur later, zodat ik mij genoodzaakt zag over het hek te
klimmen en het terrein illegaal te betreden. Zodoende was ik de enige en kon ik
genieten van de stilte van deze mooie plek. “Natuurlijk heb ik een tijdje
naar Loch Ness zitten kijken, maar een monster viel niet te bekennen.” Daarna brak ik mijn tent af en bezocht het
plaatselijke museum waar de geschiedenis van het legendarische monster uit de
doeken werd gedaan, inclusief alle beroemde foto’s en verhalen. Keihard bewijs
was er natuurlijk nog niet gevonden, al wist je het nooit, want Loch Ness gold als
een bijzonder meer, extreem diep en extreem modderig, dus wie weet wat zich daarin ophield.
| Loch Ness |
Vanaf
Drumnadrochit liftte ik terug naar Inverness en liet mij afzetten aan de
oostzijde bij Culloden Battlefield. Hier vond in 1746 de allerlaatste veldslag
in Groot-Brittannië plaats, toen het Engelse leger definitief afrekende met de
‘Jacobieten’, rooms-katholieke opstandelingen onder leiding van een nazaat van
de afgezette koning Jacobus. (Hij was verdreven door stadhouder Willem III van
Oranje, die in 1688 op de Engelse troon kwam.) Het betekende een keerpunt in de
geschiedenis van Schotland, want vanaf dat moment was het gedaan met de Schotse
onafhankelijkheid: de clans werden verboden, en ook de kilt en de doedelzak,
zeg maar alles wat Schotten hun identiteit gaf. Dat laatste werd overigens 40
jaar later weer teruggedraaid. Veel te zien was er niet op het zompige stuk
veenland, maar ik wilde dit stukje Schotse geschiedenis niet voorbij laten gaan.
| Culloden |
De
avond bracht ik door in Aviemore, een skioord in de Highlands. Voor het eerst
in weken kon ik weer eens uitgebreid Nederlands spreken, met een jong stelletje
uit Overijssel dat me op de koffie uitnodigde. Aardige mensen, noteerde ik in
mijn dagboek, om er snobistisch aan toe te voegen, nog nadampend van Culloden:
maar ze wisten compleet niets van Schotland. Dat niet iedere toerist zich zo
maniakaal verdiepte in een land als ik was iets wat ik nog moest ontdekken.
Maar
ook mijn ontdekkingstocht kwam ten einde. Ik ging afscheid nemen en kwam weer
op bekend terrein. Eerst naar de familie Donald in Maud; onderweg bezocht ik
nog een whisky-distilleerderij in Dufftown, producent van ‘The Singleton’ malt.
Het bereiken van Old (Mac) Donald’s Farm bleek een drama. Uren staan liften,
een paar keer volledig natgeregend, uiteindelijk vanaf een hotel een dure taxi
moeten nemen. Gelukkig werd ik hartelijk ontvangen en kon ik tot diep in de
nacht van alles vertellen over mijn belevenissen.
De
volgende dag - waarom ook niet - stak ik Schotland opnieuw dwars over, naar
Glasgow aan de andere kant waar ik vervolgens drie uur lang gefrustreerd op een
oprit stond te liften, richting The South. Uiteindelijk stopte een elektricien,
die me op avondeten trakteerde en me afzette in Carlisle. Daar belde ik John,
de gulle Engelsman die me op de eerste dag van mijn reis zo geweldig had
geholpen; hij haalde me op en vervolgens zat ik opnieuw tot in de kleine
uurtjes te kletsen als met een oude vriend. De volgende dag was het zondag. Hij
bezocht zijn ouders en ik bleef een dagje, lekker rondhangen in zijn pastorie
en neuzen in zijn grote boekenkast terwijl ondertussen Engelse regen langs de
ramen droop. Toen ik maandag tenslotte vertrok gaf hij me ‘The mayor of
Casterbridge’ van Thomas Hardy mee, een klassieker die ik met veel plezier heb
gelezen.
De
zon scheen en ik liftte naar het zuiden van Engeland, vorderde tot Bristol en
nam daar de trein naar Portsmouth. Kennelijk was ik ineens klaar met liften; in
totaal had ik er nu 68 liften opzitten sinds die allereerste lift in Hull, vijf
weken eerder, toen ik instapte en een halve paniekaanval kreeg en dacht: wat
moet ik zeggen tegen een Engelsman? Sindsdien was mijn Engels spectaculair
verbeterd en kon ik moeiteloos meepraten over fags (peuken), lassies
(meisjes) en a wee rain (een beetje regen). Helaas moest ik dat allemaal
achter me laten toen ik een dag later vertrok naar het land van the frogs,
de Fransen: ik nam de ferry naar Le Havre, bleef daar een dagje en stapte toen
op de trein richting huis. Het kostte klauwen met geld al dat openbaar vervoer,
maar ik gunde mijzelf die luxe. Vrijdag 14 augustus – na vijfeneenhalve week
- was ik weer in Utrecht.
Zo
kwam er een einde aan deze Schotse reis. Ik was langer dan ooit tevoren van
huis weg geweest, in m’n eentje nog wel. Ik had me eenzaam gevoeld onderweg,
halverwege week twee, toen ik mijzelf in een verlaten, verregende uithoek had
gemanoeuvreerd; en ik had euforische momenten gekend, als het reizen
voorspoedig ging, de kilometers onder me doorschoven en ik ondertussen kon
genieten van schitterende vergezichten. Vele mensen had ik ontmoet, overdag
Schotten, ‘s avonds toeristen als ik de pub opzocht. En ik had het land van
mijn dromen tot in bijna alle uithoeken verkend en kon vaststellen dat
Schotland het mooiste land was waar ik ooit was geweest - niet dat ik in zo
heel veel landen was geweest op dat moment.
Financieel
had het me een aan de rand van de afgrond gebracht, ik moest een
betalingsregeling treffen met de Postbank en was bijna een jaar aan het
aflossen. En dat terwijl ik de ongelooflijk mazzel had dat twee van mijn
girobetaalkaarten, geïnd in een minuscuul postagentschap in een minuscuul
dorpje waar ze mijn exemplaren vergeleken met afbeeldingen in een stoffig boek
dat ze uit de kast moesten trekken, nooit zijn afgeschreven - dat scheelde me
in totaal 700 gulden (€ 318), destijds zowat een maandinkomen voor mij. Maar de
uiteindelijke opbrengst van mijn Schotse
avontuur was onbetaalbaar: een initiatie in een manier van reizen – spontaan,
steeds verder en maar zien waar je uitkomt - die de blauwdruk van een reisleven
is geworden en waarvan mijn weblog getuigenis aflegt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten