Juli - augustus 1987
Mijn volgende bestemming werd Inverness. Ik
arriveerde er na vijf liften, inclusief eentje van Grant, gitarist in een
gospelband die mij trakteerde op lunch bij zijn gezinnetje in Portsoy. Super
aardig.
Inverness, de meest noordelijke stad van het Verenigd Koninkrijk, geldt als de hoofdstad van de Schotse Hooglanden. Zelf ligt het in een vlak gebied, aan de rivier de Ness, die naar het zuiden toe uitmondt in het welbekende Loch Ness. Daar wilde ik later nog naartoe. Het is een aardig plaatsje, niet al te groot, en trekt flink wat toeristen. Ik bracht er de zondag door en voor het eerst na twee weken las ik eens een Nederlandse krant, het Algemeen Dagblad van vier dagen geleden. “…toen ik hem in de stationsrestauratie openvouwde rolde het AD van (een dag eerder) eruit. Twee vliegen in één klap. Veel interessants stond er niet in, het blijft een kutkant, ook in Schotland.”
Maandag liftte ik verder naar het noorden. Onder
andere met een besnorde blonde homo van wie ik de term “giving head” leerde,
want dat wou hij wel doen bij me - het was niet de eerste en niet de laatste
keer deze reis dat ik mannelijke avances te verduren kreeg, maar zoals steeds
liep het na een beleefde weigering mijnerzijds verder goed af. Die dag vorderde
ik tot Wick en vandaar nam ik de volgende ochtend de bus naar het meest
noordoostelijke puntje van het Verenigd Koninkrijk, John O ‘Groats genaamd. Een
uithoek, die veel bezoekers trekt omdat… het een uithoek is. Vanaf hier kun je
een streep trekken door het hele eiland naar het meest zuidwestelijke puntje,
Land’s End, een populaire route om te fietsen of te wandelen die dan 1400
kilometer beslaat. De naam is een verbastering van ‘Jan de Groot’, een
Nederlander die hier in de 15e eeuw een veerdienst onderhield op de Orkney
Islands; die veerdienst op de Orkney’s is er trouwens nog steeds, het is 40
minuten varen. Ik liet de obligate vakantiefoto met wegwijzer maken en vertrok,
veel meer viel er niet te beleven.
Via de smalle, stille hoofdweg probeerde ik verder
te liften langs de noordkust van Schotland. Het was een mooie, zonnige dag en
het landschap was fraai – licht heuvelachtig en vooral leeg, léég - en ik had alle tijd om daarvan te genieten,
want mijn voortgang was moeizaam. Ik kwam niet verder dan Tongue, nog geen 100
kilometer verderop. Mijn tent zette ik neer op een verlaten camping langs een
zeearm met weids uitzicht en daarna at ik pizza in een pub. “Tja,
het is een pizza, maar ze gooien er van alles overheen: patat, worteltjes,
doperwten, tomaat, ei. Mij hoor je niet klagen, het kostte slechts £ 1,80.”
| Tongue, camping |
Kijkend
naar de kaart: ik kon nu nog verder gaan langs de noordkust, naar het meest noordwestelijke
puntje Durness, ook zo’n uithoek. Maar ik voelde meer voor wat leven in de
brouwerij en besloot daarom weer naar het zuiden af te slaan, richting de
bewoonde wereld. (Ik zou er later met Wim komen, zie HIER.) De volgende dag
liftte ik zonder problemen naar Ullapool, een prachtig gelegen vissersplaatsje
aan Loch Broom, omringd door bergen – ik had de Highlands bereikt, Schotlands’
veelgeprezen berggebied.
‘s
Avonds in de pub raakte ik in gesprek met twee Australische meisjes en toen ik
vertelde dat ik uit Nederland kwam, werd het gesprek – hoe cliché - al snel
richting drugs gestuurd. Tot mijn verrassing bleek een van de meiden een
fervente blower. Of ik zin had in een joint? “Ach, gratis is nooit weg. Dus
ik mee naar haar auto, waar we met gesloten ramen hebben zitten blowen. Het was
goede hasj, dat moet ik toegeven.” Die
nacht sliep ik heerlijk.
Niettemin
stond ik om zeven uur ‘s ochtends al weer op. Dat patroon had zich gaandeweg
ontwikkeld deze reis: vroeg naar bed, vroeg weer op. Van nature was ik een
ochtendmens en ik popelde iedere ochtend van verlangen om weer verder te gaan. (Menige
reisgenoot zou hier later tureluurs van worden.) Zeker deze ochtend: ik ging
namelijk richting westkust, volgens alle Schotten die ik sprak het beste deel
van het land.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten