Het zuiden

 Juli - augustus 1987

Ik vertrok op 6 juli 1987, een maandag. Een vriend met een auto bracht mij en mijn vriendin ‘s middags naar de Europoort waar ik de nachtboot naar Hull zou nemen van North Sea Ferries. Om vijf uur zei ik ze gedag en stapte de boot op; vanaf het dek zwaaide ik nog een tijdje naar ze totdat zij luid toeterend wegreden; niet veel later gingen de trossen los en vertrok de Norsea.


Een gevoel van eenzaamheid overviel me, en twijfel: waar begon ik in vredesnaam aan? Maar er was nu geen weg meer terug. Ik verkende de gloednieuwe veerboot en kocht bij de Duty Free Shop een slof sigaretten van het merk Winston, mijn favoriete merk destijds om de banale reden dat het voorkwam in een song van Genesis. Uiteraard had ik geen hut gereserveerd, veel te duur, maar een stoel, nummer 4070, en daarop bracht ik een redelijk comfortabel nachtje door. ‘s Ochtends zag ik mensen die hun slaapzak gewoon op de vloer hadden uitgerold en dacht bij mezelf: dat had ik ook moeten doen - dat soort elementaire reisgewoontes moest ik in 1987 nog leren.

Aankomst in Hull

Zo stond ik in de vroege ochtend dus in Hull, Noord-Engeland. Mijn plan was om vanaf daar verder te liften en die eerste dag vorderde ik mondjesmaat, tot ik aan het begin van de avond ergens buiten Newcastle stond. Een uur verstreek en ik begon me al zorgen te maken, maar toen stopte een barmhartige Samaritaan in de persoon van John William Wilkinson. Deze 30-jarige advocaat nam me mee naar zijn huis aan de andere kant van Engeland, de westkant,- dat klinkt ver, maar we bevonden ons in de flessenhals van het Britse eiland en van kust naar kust is het hier slechts 1,5 uur rijden. Het was een soort toeristische route, door het heuvellandschap en vrijwel parallel aan Hadrian’s Wall, de verdedigingsmuur die de Romeinen hadden gebouwd om de opstandige Schotten buiten te houden. Zo had ik op dag 1 dus al gratis en voor niks een hoogtepunt te pakken.

Maar het was nog niet klaar met de verrassingen. Want toen we bij zijn woning kwamen, The Old Rectory, een schitterende oude pastorie op een heuvel nabij het gehuchtje Nether Denton, hoorde ik hem ineens mompelen: “The backdoor is open…”. Wat bleek? Er was ingebroken. Een half uur later stonden er drie politiewagens op de oprijlaan en was een team van rechercheurs bezig vingerafdrukken te nemen en met een hond de omgeving uit te kammen. Het slachtoffer nam de boel met typische Engelse gereserveerdheid op. ”The insurance will pay,” zei hij simpelweg en: “Life is too short to bother about this.” Nadat iedereen was vertrokken zette hij een fles whisky op tafel en proostte met mij op Schotland. Een gedenkwaardig moment: het was de eerste keer in mijn leven dat ik whisky dronk en het begin van een levenslange liefde. In mijn dagboek schreef ik: “Het viel me mee, ik vond het zelfs lekker - m’n Engels werd er echter wel slechter door.”

The Old Rectory

De volgende dag nam hij me mee naar Durham, zodat ik de befaamde Durham Cathedral kon bezoeken terwijl hij zelf voor een zaak naar de rechtbank ging; aansluitend trakteerde hij me op lunch en daarna bracht hij me tenslotte naar het land waar ik voor kwam. Om 16:37 uur passeerde ik bij Gretna Green de grens en ik stapte uit in Langholm, lichtelijk verwonderd maar immens dankbaar voor de gastvrijheid van deze bijzondere man. Ik was opgetogen: “Het is hooguit 10 mijl in Schotland, maar het landschap is al veel en veel mooier. Hogere bergen, een riviertje, veel bos.” Die avond nog liftte ik door naar Edinburgh en zette m’n tent half negen ‘s avonds neer op een camping in een voorstadje. Al het geslinger door de heuvels had me enigszins misselijk gemaakt, maar voor de rest was ik zeer tevreden. Ik was in Schotland, yes! Of zoals ze hier zeiden: aye!

Langholm, de eerste stappen in Schotland

Ik bleef niet lang of op de camping. De volgende ochtend nam ik de bus naar de stad en checkte in bij het Independent Vacation Hotel, waar ik een bed kreeg toegewezen op een slaapzaal voor twaalf; het kostte £ 3,80 per nacht, niet eens zo veel meer dan de £ 2,50 die ik voor de camping kwijt was. En voor dat beetje extra zat ik wel midden in het centrum, kon ik gebruik maken van keuken en dining room met jukebox en videovoorstelling elke avond (ik zag er Witness, een van mijn favorieten) en ontmoette ik andere reizigers, Amerikanen vooral zou ik ontdekken. In mijn reisleven ben ik zelden in hostels geweest, het aantal keren is op één hand te tellen; ik gaf destijds, in die jaren dat hotels nog te duur voor me waren, de voorkeur aan kamperen. Maar dit hostel in Edinburgh beviel prima en ik bleef er vier nachtjes.

Edinburgh

Want er was veel te zien. Edinburgh is een mooie stad met een middeleeuws centrum, de Old Town, vol nauwe steegje (de zogeheten ‘closes’) en een hoofdstraat van precies één mijl lang die zich vanaf het robuuste Edinburgh Castle bovenop een heuvel helemaal uitstrekt naar Hollyroodhouse aan de andere kant, een paleis dat nog steeds in gebruik is door de koninklijke familie - geen wonder dat deze straat in de volksmond de ‘Royal Mile’ is gaan heten. Ik bezocht dat grote kasteel, uiteraard, en daarnaast ging ik naar de Scottish National Portrait Gallery waar een tentoonstelling bleek te zijn over Mary Queen of Scots, een van de tragische figuren uit de roemruchte koninklijke geschiedenis van het Britse eiland. Ze erfde de Schotse troon, werd verjaagd, zocht steun bij koningin Elisabeth van Engeland die haar echter de cel in gooide waar ze achttien jaar verbleef alvorens onthoofd te worden, alsnog…. Verder zat ik in de bibliotheek, het Google van de vorige eeuw, want ik was voortdurend op zoek naar informatie - en ook naar een plek om te schuilen voor de regen. Mijn dagboek: “Er viel namelijk niets te doen in de buitenlucht, het regende, al sinds vanochtend vroeg. Echte, Schotse regen - Edinburgh werd er alleen maar mooier door, mysterieuzer.”

Als aankomend literatuurstudent kon ik natuurlijk het Museum voor Schotse literatuur niet overslaan. Het zat in een zeventiende-eeuws pand en was gewijd aan de drie grote zonen van het land: Robert Stevenson (Schateiland), Walter Scott (Ivanhoe) en de minder bekende dichter Robert Burns (Auld Lang Syne). Ik had een boek van Scott als vakantielectuur meegenomen: ‘The Heart of Mid-Lothian’ uit 1818, geprezen als misschien wel de beste van zijn meer dan dertig historische romans,  maar eerlijk gezegd vond ik het taaie kost, al speelde het deels in Edinburgh af. (‘The heart of Mid-Lothian’ was de bijnaam voor de gevangenis in deze stad.) Ik aarzelde daarom ook niet toen ik later in een witte boekenzaak voor 50 pence een biografie van The Beatles kon scoren, een handzame paperback getiteld ‘The love you make’. Die aankoop betekende de doodsteek voor Scott.

Arthur's Seat

Wat ik ook bezocht: Arthur’s Seat. Natuurlijk. Als je de Royal Mile helemaal afliep, langs het parlement en het paleis, kwam je in Holyrood Park, een uitgestrekt stuk natuur dat eerder wildernis leek dan park en zich plooide rondom een vulkaan van 250 meter hoog. In een uurtje wandelde ik naar de top en zo zat Arthur dus op Arthur’s Seat. Of de naam een verwijzing is naar de legendarische koning Arthur is niet duidelijk, het kan ook een verbastering zijn van het Gaelic-woord  ‘ard’, dat ‘hoog’ betekent. Het uitzicht over Edinburgh en de Firth of Forth, de zeetong waar de stad aan lag, was spectaculair en ik bleef er anderhalf uur zitten, genietend van het zonnetje en de muziek op mijn walkman, de trouwe vriend die ik altijd bij me droeg. Ik had deze reis een vijftal cassettebandjes mee, maar in de praktijk luisterde ik vrijwel uitsluitend naar ‘The White Album’ van The Beatles - een dag later zou ik echter “Selling England By The Pound’ van Genesis goedkoop bij Woolworths op de kop tikken en daar veel naar luisteren.

Op maandag verliet ik Edinburgh weer. Een week onderweg al, tijd om verder te gaan - er viel nog veel meer Schotland te ontdekken.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten