Juli - augustus 1987
De oostkant van Schotland is niet het meest aantrekkelijke deel van het land. Je vindt hier niet de karakteristieke bergen en meren die je associeert met Schotland, integendeel het is vlak dan wel licht heuvelachtig, en de enige stad van betekenis is ‘Granite City’ Aberdeen, qua omvang vergelijkbaar met het Utrecht van destijds.
In
hoeverre ik dat toen al besefte, weet ik niet meer; ik had weliswaar een
reisgids mee, maar weet niet of het helemaal tot me was doorgedrongen. Ik
vertrok in ieder geval vol goede moed, nam de bus vanuit Edinburgh en stak mijn
duim weer omhoog, waarna ik me veel moeite vorderde tot het kleine kustplaatsje
Saint Andrews, een belangrijk golfcentrum waar de eerste golfclub ter wereld is
opgericht en ieder jaar een prestigieus toernooi wordt gespeeld. De volgende
dag liftte ik door naar Aberdeen waar ik een dagje bleef. Die moeite had ik me
kunnen besparen. Ik noteerde in mijn dagboek: “Aberdeen namelijk is een
vreselijke stad. Saai, vervelend, lelijk, druk, commercieel, oninteressant.
Overal liggen en lopen bedelaars, die je om de twintig meter staande houden
voor een sigaret of ’a bob’ , een penny. Opgeschoten tieners staan bij banken
mensen op te wachten.”
Wat
we gevangen hield was de stromende regen, gelukkig klaarde het een dag later op
en kon ik weer verder liften, onder andere met een stel arbeiders uit Chili die
de kost verdienden met ‘tankercleaning’ in de belangrijke offshore-industrie
hier voor de Schotse kust. Zo kwam ik terecht in Fraserburgh, in het uiterste
oostelijke puntje van Schotland. Ook hier bleef ik een dagje, al viel er weinig
te beleven. Het weer verslechterde, ‘s avonds stak er harde wind op. Ik begon
me te vervelen, zat in lege koffietentjes en voelde me eenzaam. “Op het
ogenblik weet ik niet goed wat ik met mijn vakantie aan moet. Er valt niets te
beginnen in dit weer. De vooruitzichten zijn zo mogelijk nog slechter. Er is
een heel verschil tussen fantaseren over ontberingen en ontberingen ontberen.”
Misschien had het me getroost als ik had geweten
dat niemand minder dan The Beatles hier ooit ook een aantal moeizame dagen
doorbrachten. Dat was in 1960, lang voordat ze beroemd werden, tijdens hun
allereerste tournee toen ze onder de naam Silver Beetles als begeleidingsband
optraden van de allang weer vergeten zanger Johnny Gentle. Wegens geldgebrek
werden ze hun hotel uitgezet en moesten ze bedelen om eten bij een stel
nieuwsgierige schoolmeisjes die de hongerige lads - The Beatles
waren toen zelf nog tieners, van mijn leeftijd - onder hun hoede namen. Er
bestaan nog briefjes met hun handtekening van toen, de eerste keer dat ze
handtekeningen uitdeelden.
Na
een stormachtige nacht, waarin mijn kleine trekkerstentje als enige overeind
bleef, nam ik de bus naar Banff,
verderop aan de kust. “Een
voorbijganger gevraagd of er een camping was in Banff. Hogelijk verbaasd wees
hij naar het strand: rijen caravans. Ik liep er naartoe en reserveerde voor een
nacht bij een hyperventilerende, sarrige warden. Hij verwees naar het laatste
veld van de camping, dus ik liep tussen alle caravans door naar het
trekkersveldje, een modderpoel gelegen aan het strand. Tenten opgezet, zwaar
depressief m’n bed in gekropen.”
De volgende dag wilde ik zo snel mogelijk weg hier, maar… toen nam mijn reis
een onverwachte wending.
Want toen ik met veel moeite in de harde wind mijn tent afbrak, kwamen er twee meisjes van het strand afgelopen die hulp aanboden. Het bleken schoolmeisjes van 16,17 jaar – Lorna en Eileen - die hier een weekendje op de camping stonden. Met hen en een aantal andere jongeren trok ik die dag op en toen zij ‘s avonds weer werden opgehaald reed ik doodleuk mee en zou de rest van de week logeren bij een van hen. Zij, Lorna, woonde met haar broer en ouders op een varkensboerderij in Maud, te midden van de rollende heuvels in Aberdeenshire. De familie heette Donald, helaas zonder de Mac ervoor, dat had het cliché compleet gemaakt.
Ineens was ik verzekerd van sociaal contact en kreeg ik uit de eerste hand inzicht in het dagelijkse Schotse leven, inclusief een lesje doedelzak spelen, schapen scheren en haggis eten, het nationale gerecht van schapenorganen geserveerd met neeps and tatties ofwel koolraap en aardappelpuree. Boerenkost, niet heel verfijnd.
Lorna kon al autorijden, dat
mocht in Schotland vanaf je 16e, en nam mij mee naar een oude ruïne
en, Schotser dan Schots, een kleine whiskydistilleerderij. Ik voelde mij als in de zevende hemel: mijn
wens om het ‘echte Schotland’ te leren kennen was dubbel en dwars uitgekomen.
Zelfs kwam ik nog op de lokale radio, toen ik inbelde bij een programma en de
dj van alles wilde weten over mijn ervaringen.
Dankbaar en opgefrist nam ik na vijf dagen
afscheid. Mijn reis was gered, met nieuwe energie ging ik weer verder - weg uit
dat saaie oosten dat onverwachts toch nog heel leuk was geworden.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten