Juli - augustus 1987
De
westkust dus, eindelijk. Een door diepe lochs ingesneden bergmassief met
honderden eilanden voor de kust - de Hebriden - die de eerste klappen van de
Atlantische Oceaan opvangen. Schotland op z’n ruigst.
| Skye |
Ik
besloot Skye te bezoeken, een van de grotere eilanden. Daarvoor moest ik eerst
naar het plaatsje met de tongbrekende naam Kyle of Lochhalsh liften en vandaar
een pontje nemen dat me in 5 minuten overzette, voor 36 pence. Inmiddels was
het avond geworden, maar ik was er nog niet: eerst nog een uurtje liften naar
de ‘hoofdstad’, Portree, toen nog 3 kilometer lopen naar de camping. Tent
opzetten, rugzak in de tent gooien - ik hoorde iets breken en toen ik mijn
rugzak inspecteerde hoorde ik zachtjes ssssssssss en rook ik een gaslucht. Ai…
m’n gasstelletje... Ik wierp het stervende ding voor de zekerheid ver een
weiland in. Koken deed ik sowieso al nauwelijks, maar dit gaf definitief de
doodsteek - vanaf nu kocht ik alles buiten de deur en leefde de komende weken
op een dieet van egg-sandwiches, zakjes Treets (vergelijkbaar met Maltezers) en
vooral, vooral Engelse Benson & Hedges sigaretten in sierlijke, goudkleurig
pakjes.
Die
avond nog wandelde ik terug naar Portree. Op het marktplein was een festiviteit
gaande met doedelzakspelers, een accordeonist, dansers… Het maakte een wat
verloren indruk in de regen. Ik zocht de warmte op van een pub en raakte in een
geanimeerd gesprek met een Amerikaan uit Los Angeles die verdomd erudiet bleek
en zelfs een van mijn lievelingsboeken goed kende, het vuistdikke
‘Deutschstunde’ dat ik voor mijn eindexamen had gelezen – niet helemaal
verwonderlijk, hij was literatuurdocent van beroep. Wat hij ook kende: Utrecht,
was hij lang geleden geweest, vooral de ‘Catharyn Single’ vond hij zo prachtig
- moest hem helaas meedelen dat er inmiddels een megalomaan betonnen
winkelcentrum voor in de plaats was gekomen, High Catharyn zeg maar. Al met al
een hartverwarmend gesprek en na afloop kreeg ik zijn adres: “If you’re ever in
LA, just ring…”
| Skye, 'island of mist' |
Ik
vond Skye schitterend. De naam is Gaelic voor ‘vleugel’ en verwijst naar de
vleugelachtige vorm. “De Kelten noemden het ‘het eiland van de mist’ en hoe raak
is die omschrijving gekozen. Het eiland is gehuld in een grote mistwolk. De
bergen zijn slechts vage schaduwen, maar blijven imponerend. En aan de
watervallen, de baaien, de beken: een geweldig landschap.” Mysterieuze
bergen in de mist, precies waarvoor ik naar Schotland was gekomen - toch
verliet ik dit mooie eiland halsoverkop de volgende dag. Reden: het weer.
Altijd weer dat weer. Ik schreef: “Storm en regen, mist, een ramp.” In de hoop dat het op het vasteland beter
zou zijn, stapte ik op de bus naar Fort William.
| Ben Nevis |
Fort
William is, zijn mooie wildwest-naam ten spijt, een toeristisch niemendalletje
vol souvenirshops en outdoorzaken. Handig om ansichtkaarten te kopen, maar
verder weinig interessant. Het wordt wel ‘de outdoor capital’ van Schotland
genoemd, een reputatie die het vooral dankt aan de ligging aan de voet van de
hoogste berg van het Verenigd Koninkrijk, de Ben Nevis van 1345 meter hoogte.
Ook ik kwam daarvoor. Op zondag 2 augustus liep ik vanaf de camping in drie
uurtjes omhoog naar de top. “Eerst een redelijk pad, toen een smal pad
bezaaid met rotsen, volgens alleen nog maar rotsen, slechts vaag een pad. Het
laatste uur heb ik in diepe duisternis doorgebracht: mist, nog geen vijf meter
zicht. En ijzig koud, de laatste honderden meters waren bedekt met sneeuw. Een
merkwaardige gewaarwording, die winterse toestanden, want in de vallei was het
behaaglijk warm en scheen de zon.” Die weersomslag kan Ben Nevis knap
verraderlijk maken. Eerder vandaag had ik nog in de krant gelezen dat twee
mensen vermist waren, de dag ervoor. Zelf kwam ik weer veilig beneden na twee
uur afdalen - maar wel met voeten die helemaal gesloopt waren en waar ik nog
weken last van zou houden. Bergbeklimmen op gymschoenen, geen goed idee.
Niettemin voelde ik mezelf uiterst voldaan.
| Top van de Ben Nevis |
Ik
zakte verder af langs de westkust en kwam uit in Oban. Net als in Portree en
Fort William lag de camping weer minstens drie kilometer buiten het stadje, dus
ik liep wat af op mijn gehavende voeten. Oban, bekend van de whisky, is een
alleraardigst klein havenstadje en springplank voor een bezoek aan een aantal
bekende eilanden, waaronder Mull dat er pal tegenover ligt. (Ook Jura ligt in
de buurt, waar George Orwell totaal geïsoleerd ‘1984’ schreef; en ook Kintyre,
met de door Paul McCartney vereeuwigde kaap genaamd ‘Mull of Kintyre’.)
Belangrijkste trekpleister is het piepkleine eilandje Iona – 4 bij 1 kilometer
– dat in de zesde eeuw toevluchtsoord was voor de Ierse heilige Sint Columbus,
die er een klooster stichtte en van daaruit heel Schotland en Noord-Engeland
kerstende. Een prachtige plek, maar… lastig te bereiken, óók in de twintigste
eeuw.
Eerst
de ferry naar Mull. Probleem was dat je aankwam in Craignure aan de oostkant en
dan helemaal naar Fionnphort aan de westkant moest, 60 kilometer verderop, om daar
de ferry naar Iona te nemen. Hachelijk voor iemand zonder eigen vervoer, zoals
ik. Gelukkig zat het liften mee en ik arriveerde tegen enen in Fionnphort en
kon meteen de ferry naar Iona nemen. Daar bracht ik een paar uur door. Het
oorspronkelijke klooster is al lang vergaan, er stond nu een eenvoudige abdij
die weliswaar oorspronkelijk uit de 13e eeuw stamde, maar
grotendeels deze eeuw was gerestaureerd; toch was Iona een hele rustige,
sfeervolle plek waar je de geschiedenis kon voelen als je wilde.
| Iona Abbey |
Om
vier besloot ik dat het tijd werd om te vertrekken - dat gaf mij nog 3 uurtjes
om de laatste ferry in Craignure te halen terug naar Oban. Ik liep naar de
aanlegsteiger. “Echter:’passengers for cruiseship only’ roepen de zeemannen
als de veerboot aanlegt. Er blijkt een cruiseschip voor de kust te liggen en
alle opvarenden moeten aan boord gebracht worden met de ferry. En er is maar één
ferry tussen Fionnphort en Iona. (…) De ferry moet 3 keer op en neer naar het
cruiseschip: 3 kwartier. Dan word ik naar Fionnphort gebracht en voor ik sta te
liften, is het vijf uur. “ Zo
wordt het toch nog spannend - zeker als ik na een eerste lift strand in the middle of nowhere. Kwartieren tikken weg. “Ik begin hem te knijpen, maar dan stopt er
een geel busje, de Schotse waterleiding. Twee mannen nemen we mee in hun oude brik
en langzaam hobbelt dat ding door de bochten. Vijf minuten voor zeven zetten ze
me af op de pier - en dan blijkt dat de ferry naar Oban 20 minuten vertraging
heeft.” Terug op de camping kon ik dus met Britse understatement
concluderen in mijn dagboek: al met al een enerverende dag.
Gezien deze tijdsdruk was een bezoek aan Staffa,
een naast Iona gelegen rotsklomp van basaltzuilen wiens grot naar verluidt
muziek kon voortbrengen, out of the question. Die omissie
zou ik later met Wim goedmaken (zie HIER).
Inmiddels zat mijn verblijf aan de westkust erop. Ik begon zoetjesaan de terugtocht naar Nederland - maar met een grote omweg, waardoor mijn reis nog een week zou duren.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten