Posts tonen met het label Mengelwerk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mengelwerk. Alle posts tonen

Volhouden

Over de weg naar marathons

maart 2015

Dit jaar is het tien jaar geleden dat ik begon met hardlopen. Op 14 november 2005 zette ik mijn eerste passen volgens een zelfbedacht schemaatje van twee minuten rennen, twee minuten wandelen en dat vijf keer achter elkaar, in totaal zo’n tweeënhalve kilometer. Een decennium later loop ik marathons.

Het heeft me geen ander mens gemaakt, maar het scheelt weinig. Hardlopen heeft mijn dagelijks bestaan totaal veranderd en zowel lijf als geest – door en door getraind inmiddels– willen niet meer zonder. Daarom, op het gevaar af in clichés te vervallen (want zijn er niet duizenden van zulke verhalen?) volgt hier een kleine hommage aan mijn hobby slash passie slash gekte die ik de reis van 42 kilometer en nog een vreselijk klein rotstukje noem.


Verlosdag

Over de bijzonderste dag van je leven

1 september 2012

O wee…
Dat is wat ik dacht toen ik op vrijdagmiddag 31 augustus, een dag ná de uitgerekende datum, van m’n werk terugliep naar de auto en merkte dat deze niet startte, want dom dom licht laten branden en dom dom accu leeg. O wee, ging het door me heen. Wat nu? Wat als Christel nu belt met de boodschap dat de weeën zijn begonnen? Daar sta ik dan in Almere. Naast onze oerdegelijke Toyota die ons in vijf jaar nog nooit in de steek heeft gelaten. Een momentje om even door de grond te gaan.
Later zou blijken dat inderdaad op dat tijdstip, twintig voor vijf ’s middags, Christel voor het eerst gerommel in haar buik voelde, maar nog zo vaag dat het zich niet liet herkennen als een wee. De nacht daarvoor, donderdagnacht, was ze een deel van haar ‘slijmprop’ kwijtgeraakt, de kurk die de baarmoederhals afsluit. Dat gold onmiskenbaar als een aanwijzing dat er een bevalling op komst was, alleen bleef onduidelijk wanneer. Vaak binnen 24 uur, maar evengoed kon het nog een of twee weken duren. Niettemin had het ons gevoel op scherp gezet en was de spanning bij ons merkbaar gestegen.

Je bent ons er eentje

Over onze babynaut
19 augustus 2012
Daar zit je dan. Nee, je hangt. Je zweeft. Als een ongeboren kosmonaut, een babynaut, drijf je gewichtloos in de materie, die in jouw geval bestaat uit een zak gevuld met vruchtwater. Dat is jouw universum op dit moment. Je hangt ondersteboven, dus met je hoofd richting uitgang. Lekker omdraaien is er niet meer bij, daarvoor ben je al te groot, bijna een halve meter. Je leeftijd is 38 weken, ruim. Best oud al voor een babynaut. Het einde is in zicht. Nog even en jouw heerlijk zwevende leventje is voorbij en je komt via een traumatische big bang terecht in een parallel universum dat je in eerste instantie als een nachtmerrie zult ervaren. De voortekenen zijn er al. Ja, op een bepaalde manier heb je al door dat er meer is tussen hemel en aarde dan jouw vruchtzak. Soms wordt het rood om je heen, als de zon schijnt daarginds. Je hoort geluiden, stemmen, een hartslag. Soms wordt je geduwd, met name op je knietje en je voetje die naar boven steken. Dan schop je geïrriteerd terug. Je wilt er niets van weten, maar je zult er helaas aan moeten geloven, kleintje, binnenkort is dit ook jouw wereld, de wereld van zuurstof en zwaartekracht, van pijn en imperfectie, van mama en papa. Dan ben je een van ons geworden, mens anno 2012, de laatste afstammeling in een lange, lange lijn. Al vele miljoenen jaren bestaat jouw dna. Je kreeg het van ons, wij kregen het van opa en oma en zij weer van anderen enzovoort enzovoort, helemaal terug tot aan de eerste mensen, en zij kregen hun dna weer van apen, en apen van kleine zoogdieren, en kleine zoogdieren van reptielen, en reptielen van vissen en zo door tot het begin der tijden. Als een soort Olympisch vuur werd jouw dna doorgegeven. Levend. Altijd levend. Want als iemand onderweg was doodgegaan was jouw dna, jouw blauwdruk, jouw zelfste zelf er niet geweest. Bijzonder hè? Wat zeg je? Hmm. Tja. Bijdehand hoor. Inderdaad, in die duizenden miljoenen miljarden jaren is jouw dna eventjes bevroren geweest, laten we zeggen van juli 2011 tot november 2011, toen het in een vrieskist in het Utrechts Medisch Centrum lag te wachten op een volgende terugplaatsing. Vier maandjes. Maar nou ja, okee dan, los dáárvan heb je dus altijd al geleefd en kom je nu eindelijk tot materialisatie. We wachten op je. Tot straks.

Onze vader

Verhaal, ingestuurd naar verhalenwedstrijd 'Verzwegen verhalen: een andere vader of moeder', maar om een of andere rare reden niet gewonnen.

Januari 2011

Ik beroep mij op m’n zwijgrecht. Ik ga jullie niet vertellen wat ik weet of waarom ik het heb gedaan. Het interesseert jullie niet. Voor jullie ben ik toch schuldig, een moordenares, het Huntington-monster zoals de kranten zeggen. Ik heb mijn kinderen vermoord, nu moet ik op de stoel. Maar het kan me niet schelen. Verlos me van deze wereld, van dit wrede bestaan dat enkel uit lijden en onechtvaardigheid bestaat. Ik weet dat mij iets beters wacht hierna. Een nieuwe wereld, een goede wereld waarin ik Josh en Jacob zal terugzien en we samen heerlijk kunnen rennen en stoeien en Hem een schop onder Z’n valse reet kunnen geven.

Alleen de gedachte aan m’n meisjes maakt me verdrietig. Sarah, Ruth, kleine Abbie. Hun lot is onzeker en dat is triest. Ik zag hun gezichtjes aan de andere kant van het glas, wit van de spanning. Ze verlangden naar me, ik kon het zien, en tegelijkertijd waren ze bang. Bang voor hun eigen monstermama. Ik weet dat Richard ze ophitst. Richard is…oudtestamentisch. Woest als een aartsvader. Z’n ogen spuwden vuur die ene keer dat ik hem nog heb gezien. Als ze het hem vragen, zal hij geen moeite hebben eigenhandig de schakelaar om te zetten. En het ergste is, ik begrijp hem ook nog.


Troch it heitelân

Over een wandeling door Friesland
15-16 augustus 2008

Ze mogen dan vloeken en tieren als grote kerels  –uit, bliksems! heidaar! kwea! godverdomme boven! – maar in mijn ogen zijn het slechts jochies, bleek en gesoigneerd, niet te vergelijken met de kaatshelden uit mijn jeugd, de stoere mannen met woeste snorren en baarden die spuugden in hun want en bal na bal naar de verdoemenis sloegen, áchteruit verdomme… 

Voor de rest lijkt echter veel hetzelfde gebleven. Ik herinner het me opeens weer, al die dingen om me heen, moeiteloos, ook al was ik zelfs vergeten dat ik ze ooit was vergeten: de jongetjes met de kaatsblokjes, de scheidsrechters, het ingewikkelde scorebord (een woord borrelt op uit de diepte, telegraaf), de notabelen op het podium, de eenvoudige muziekkapel van waaruit de plaatselijke fanfare dit dorpstafereeltje met koper omlijst…  Alleen de bomen zijn nieuw. Die waren er nog niet, destijds, toen op dit weiland vol graspollen en koeievlaaien achter het schoolplein een nieuw kaatsveld werd aangelegd. Lang bleef het een kale, winderige vlakte waar de frisse jonge aanplant net zo erg stond te huiveren als de kaatsers, maar inmiddels, ruim vijfentwintig jaar later, blijkt de begroeiing opgeschoten tot een dikke groene bosschage die het veld omringt, beschut, transformeert tot een echte Friese kaatsarena.

De gebarsten ketel

Autobiografische notitie

Augustus 2008

Onlangs, in Amsterdam, op het wekelijkse marktje op het Spui, trof ik tussen de usual suspects van het tweedehands boekengebeuren plots de eerste druk van Jeroen Brouwers’ ‘Winterlicht’, met z’n omslag van Van Gogh opvlammend tussen de versleten ruggen. En hoewel ik geen bibliofiel ben, sloeg m’n hart even sneller. Lang gezocht, deze eerste druk. Of beter gezegd: lang op gewacht. Ik zoek namelijk geen boeken, ik hoop dat ik ze toevallig  tegenkom als ik een boekenwinkel of boekenmarkt bezoek, en als ik ze niet tegenkom is het ook prima, want dan blijft er nog iets over om volgende keer tegen te komen. Een verzamelaar is iemand die iets niet heeft, hoorde ik eens zeggen. Op slag begreep ik het wezen van verzamelen. Verzamelen draait niet om de verzameling, maar om de verzamelaar. Verzamelingen kunnen af zijn, compleet, finito, een verzamelaar daarentegen is nooit klaar: die verzamelt wel weer iets anders. Ik heb dus geen haast verzamelingen compleet te maken en wacht geduldig tot het lot mij een boek zomaar toeschuift, zoals nu deze eerste druk van ‘Winterlicht’. Bij De Slegte in Utrecht heb ik al een tijdje eentje op de plank zien staan– echter zonder het omslag, het korenveld met kraaien van Van Gogh dat beschreven wordt in het boek en zo meesterlijk de essentie van het verhaal lijkt uit te dragen, het gevoel van haast, van paniek, van vergankelijkheid en doodsangst. En zonder dat mooie omslag hoefde ik het boek niet. De roman op zich bezat ik namelijk al, in herdruk, zo’n goedkope flutpocket met een lelijke voorkant. Maar nu was er dit complete, bekafte exemplaar: voor acht euro kocht ik het en voelde even, een moment, puur verzamelaarsgeluk.


Aesculus Hippocastanum

Verhaal over een middelbare school-vriendschap.
Waarschuwing vooraf: telt 6750 woorden, dat is zeker een half uur lezen.

4 - 14 maart 1995

AESCULUS HIPPOCASTANUM
Verslag van een vriendschap

 'Men heeft vroeger wel geprobeerd wilde kastanjes te eten, ze zagen er toch zo voedzaam uit: maar men is er steeds weer van teruggekomen, ze zijn niet lekker, hard en bitter. Men heeft wel gezegd, dat toen God de tamme kastanje schiep, de duivel niet achterbleef en een paardekastanje maakte.'
  Dr. B. K. Boom en H. Kleijn, Bomen. Hun vorm en kleur.


1.
Hoe laat ik ook ging slapen, en hoeveel wijn ik ook had ­ge­dronken, steeds weer werd ik 's ochtends akelig vroeg wak­ker, gewekt door geluiden waarvan ik dacht dat ik ze was vergeten, maar die me, integendeel, een overrompelende sensa­tie van déja-vu bezorgden. Kraaiende hanen. Vogels, kikkers. Een schuurdeur die open­zwaai­de. Vooral dat laatste geluid bracht me in ver­warring; de eerste paar ochten­den zag ik, half dro­mend nog, mezelf die schuurdeur openen, ik reed mijn fiets naar buiten en bond mijn schooltas onder de snel­binders en fietste weg over het smalle tegelpaadje tussen de weelderige zomerhagen, ja ik voelde zelfs, voelde de ­viezig­heid van verse spinneweb­ben in m'n gezicht. Maar dan wilde ik ze wegve­gen en werd echt wakker. En dan besefte ik dat het vakan­tie was, dat ik niet naar school hoefde, en trouwens, dat ik nooit meer naar school hoefde, want inmid­dels was ik zevenen­twintig jaar en allang afgestu­deerd.
  Na een week verdween dit visioen, maar ik bleef slachtoffer van mijn voormalig bioritme. Ik ontwaakte voor dag en dauw en viel dan, sluimerend in bed terwijl Aurora door haar tere vinger­tjes bloosde (ik was bezig Homerus te herlezen), ten prooi aan andere beelden van vroeger. Op een ochtend zag ik plots een kastanjeboom voor me, haarscherp: de gedraaide stam, de viltige bladeren, de trossen van orchidee-achtige witte bloe­metjes... En al had ik in mijn leven honder­den kastanjebo­men gezien, deze herkende ik onmid­dellijk.