Rädigke - Berlijn

Vrijdag 12 augustus
Dag 7, 106 kilometer


Vroeg op vandaag. Lichte opwinding bij het inpakken: vandaag rijden we Berlijn in! Half negen zitten we op de fiets, zonder ontbijt, want de camping had geen frische brötchen
In Niemegk, een half uurtje verderop, slaan we in bij een bakker en we ontbijten aan de rand van het bos, in de zon, met brood en een Quarki. We koersen nu noordwaarts. Wind is er nauwelijks meer en het fietst prima. Alle wegen zijn uitstekend, kennelijk is er een inhaalslag geweest de laatste jaren, na de Wende. Ook treffen we nauwelijks meer verwaarloosde huizen of straten zoals in de (voormalige) grensstreek. Opvallend is dat ieder dorp, hoe klein ook, z’n eigen kazerne van de freiwillige Feuerwehr blijkt te hebben; dat lijkt goed geregeld, maar Christel, onze meefietsende brandweerexpert, zet toch vraagtekens bij de professionaliteit en training van zoveel vrijwilligers.




Berlijn

Zaterdag 13 augustus 2011
Voor het eerst worden we wakker met een zonnetje. De nacht is rustig verlopen, niks dronken gefeest van losgeslagen jongeren, alleen een enkele snurker in de tent naast ons - dat is trouwens een opvallende tent, niet een van de vele standaard koepeltje of Qechua-wegwerptentjes, maar een heuse tipi, de snurker zal dan wel een een verkouden indiaan zijn... 

Er is een klein barretje bovenop de tribunes naast het zwembad. Twee jonge meisjes verkopen verse broodjes, koffie en vruchtensap, en we ontbijten er terwijl we naar de loungemuziek luisteren. In het zachte ochtendlicht ziet de omgeving er vriendelijk uit en al met al moeten we ons vooroordeel bijstellen en toegeven dat het helemaal geen slechte plek is hier. Toch hebben we al besloten een hotel te gaan zoeken, dus pakken we voor de laatste keer de tent in en vertrekken.


Mei 2011

Op de fiets, naar vakantiepark La Boverie in Rendeux.



Een bijzondere constructie ditmaal. De dames -Christel met m'n nichtjes Rafaella en Pharrèl, plus Katelijne met Charlotte en Olivier- gingen met de auto alvast vooruit, en ik zou hen op de fiets volgen. Op Koninginnedag, zaterdag 30 april, zwaaide ik hen dus uit in Utrecht en stapte meteen daarna ter fiets.


Odenwald

 1 - 5 april 2011

Het leek me leuk Christel voor haar verjaardag te verrassen met een weekendje weg. Zo kwamen we terecht in het Odenwald.

Onze vader

Verhaal, ingestuurd naar verhalenwedstrijd 'Verzwegen verhalen: een andere vader of moeder', maar om een of andere rare reden niet gewonnen.

Januari 2011

Ik beroep mij op m’n zwijgrecht. Ik ga jullie niet vertellen wat ik weet of waarom ik het heb gedaan. Het interesseert jullie niet. Voor jullie ben ik toch schuldig, een moordenares, het Huntington-monster zoals de kranten zeggen. Ik heb mijn kinderen vermoord, nu moet ik op de stoel. Maar het kan me niet schelen. Verlos me van deze wereld, van dit wrede bestaan dat enkel uit lijden en onechtvaardigheid bestaat. Ik weet dat mij iets beters wacht hierna. Een nieuwe wereld, een goede wereld waarin ik Josh en Jacob zal terugzien en we samen heerlijk kunnen rennen en stoeien en Hem een schop onder Z’n valse reet kunnen geven.

Alleen de gedachte aan m’n meisjes maakt me verdrietig. Sarah, Ruth, kleine Abbie. Hun lot is onzeker en dat is triest. Ik zag hun gezichtjes aan de andere kant van het glas, wit van de spanning. Ze verlangden naar me, ik kon het zien, en tegelijkertijd waren ze bang. Bang voor hun eigen monstermama. Ik weet dat Richard ze ophitst. Richard is…oudtestamentisch. Woest als een aartsvader. Z’n ogen spuwden vuur die ene keer dat ik hem nog heb gezien. Als ze het hem vragen, zal hij geen moeite hebben eigenhandig de schakelaar om te zetten. En het ergste is, ik begrijp hem ook nog.


Thailand 2010

Twee weken in Thailand doorgebracht. Het was bedoeld als korte tussenstop richting Laos, want we hadden het eigenlijk niet zo op Thailand: het land lijkt een cliché van fout toerisme met z'n sex, drugs en back packers rock 'n roll. Maar tot onze verrassing vonden we het een heerlijk land en daarom willen we er zeker nog eens naar terug, maar dan een ietsiepietsie langer.



Bangkok

Catastrofes treden zelden in hun eentje op. Het liefst overvallen ze je in groepsverband. Ze trommelen elkaar op en kondigen elkaar aan: de ene ramp is jobsbode namens de andere.
Aldus de fraaie opening van A.F.Th. Van der Heijdens ’Vallende ouders’.

Het was een catastrofe die ons in Bangkok bracht. Geen toeval: het leven van Christel draait om rampen, ‘crisisbeheersing en rampenbestrijding’ luidt officieel de naam van haar vakgebied. Ze werkt in Zaandam en de ergste ramp die ze daar heeft meegemaakt, toevallig ook de eerste, is het afbranden van een cacaofabriek.  Geen lolletje natuurlijk, maar gemeten op wereldschaal –aardbevingen, ontploffende kerncentrales, vliegtuigcrashes– kan het erger.

Neem bijvoorbeeld een tsunami. Dat was nog eens een ramp, 230.00 dodelijke slachtoffers. Reden waarom de internationale rampenbestrijders van deze wereld,  lees de Verenigde Naties, zich zijn gaan toeleggen op het onwikkelen van een Tsunami Warning System: een combinatie van boeien met sensoren, training en voorlichting, evacuatieplannen die de volgende grote golf te snel af moeten zijn. Als die komt. Een axioma uit het rampgebeuren, zo heb ik van Christel geleerd, is dat je je altijd voorbereidt op de vorige ramp.


Chiang Rai

We namen afscheid van elkaar. Gerda keerde terug naar Nederland en wij reisden door naar Laos, via een plaats die Chiang Rai heette. Dat was een tip van Lieke.

Ze had nog een heleboel andere tips voor ons, hielp ons met hotel en vliegtuig enzovoorts, dat was ontzettend prettig voor ons. Maar haar basistip, namelijk dat Thailand veel interessanter was dan Laos, legden we eigenwijs naast ons neer.

Chiang Rai ligt helemaal in het noorden van Thailand. We vlogen er in anderhalf uur naartoe. Het ligt in de zogeheten ‘gouden driehoek’ ofwel het grensgebied van Thailand, Birma en Laos, berucht om z’n productie van opium (voor heroïne bijvoorbeeld). Ons hotel heette dan ook Golden Triangle Inn. Het is een bescheiden plaatsje, niet te verwarren met Chiang Mai dat meer naar het westen ligt en een bekend toeristenoord is, waar je jungletochten kunt maken en op een olifant zitten, van die dingen. Niet dat dat in Chiang Rai niet kan, het is alleen veel kleiner van opzet allemaal. Dan bedoel ik niet de olifanten.




Laos 2010

In november en december 2010 een dikke maand rondgereisd in Thailand en Laos. Eigenlijk was Laos het doel, maar je krijgt Thailand er automatisch bij, want alleen vanuit Thailand kun je naar Laos toe (of je moet je wagen aan China of Birma). De grens tussen beide landen is 1754 kilometer lang en wordt vrijwel geheel gevormd door één rivier, de Mekong, die slechts twee bruggen telt...dat is dus gemiddeld één brug per 877 kilometer! Wij zijn Laos in het noorden binnengekomen en vervolgens per boot en bus zo'n duizend kilometer naar het zuiden gereisd, bijna tot de Cambodjaanse grens, alvorens we terugkeerden naar Thailand en een tropisch eiland in de Indische Oceaan, om te duiken.

Slowboat

Na een verblijf in Bangkok zijn we naar het noorden van Thailand gevlogen en daar de grens, dus de Mekong overgestoken met een bootje. Zo kwamen we in Laos, in het plaatsje Houaxang waar niet veel te beleven viel, behalve dat er de zogeheten ‘slowboats’ vertrokken, lange platte schuiten waarmee Laotianen van oudsher over de Mekong varen. 

Tot voor kort was Laos een land zonder infrastructuur: je had alleen de Mekong als een manier om enigszins gemakkelijk van A naar B te komen. Nog steeds heeft Laos weinig wegen, en geen enkele spoorlijn. Het zal komen door de weerbarstige natuur, veel jungle en bergen, door de armoede en deels wellicht ook door het ontbreken van een Westers ambitiekader. Bij oude en nieuwe kolonisatiemachten als Frankrijk en Verenigde Staten lees je steeds dezelfde verzuchting: ze zijn heel aardig en vriendelijk, de Laotianen, maar niet vooruit te branden!

Maar dat toch ook dit kalme, afgelegen hoekje aarde inmiddels flink globaliseert ontdekten wij al op dag één in Houaxang: we stuitten namelijk op een pinautomaat! Volgens onze reisgids van drie jaar geleden waren die er nog niet in Laos. En zo bleken er de afgelopen jaren wel meer nieuwe dingen in Laos te zijn gearriveerd. Toeristen, met name.



Louang Prabang

Louang Prabang is de mooiste stad van Laos. Het is de oude hoofdstad van Laos (inmiddels is dat Vientiane) en de naam betekent 'groot heilig beeld', waarmee gedoeld wordt op de Pha Bang, een gouden Boeddhabeeldje dat geldt als het belangrijkste religieuze symbool van het land en tentoongesteld is in het voormalige koninklijk paleis. Er wonen ruim 100.000 mensen en het is een oase van rust, zelfs het centrum.

Kalme, lommerrijke straatjes naast de Mekong met nauwelijks verkeer. En tempels, heel veel tempels.

Laos hoort tot het zogenaamde Theravada of zuidelijke Boeddhisme, dat zich vanuit de geboorteplaats van het Boeddhisme (Noord-India) in zuidelijke richting heeft verplaatst naar Thailand en Laos, dit in tegenstelling tot het Mahayana (noordelijke) Boedhhisme dat naar Tibet, China en Japan is gegaan. De zuidelijke stroming zou orthodoxer zijn, strenger in de leer, maar de finesses ontgaan je als buitenstaander. Meest opvallende verschil is dat de monniken hier oranje zijn gekleed, niet rood. Verder zien de tempels in Laos er anders uit, sierlijker en meer versierd, en zijn ze iets anders ingericht. En ze heten Wat.



Vientiane

We gaan naar Vientiane, zo’n 350 kilometer ten zuiden van Louang Prabang. Dat betekent een volle dag reizen, met de bus, langs de enige noord-zuid-verbinding van Laos, Route 13. Een heftige rit, met veel bergen en haarspeldbochten, en hier en daar wrakken van vrachtwagens in het ravijn.

In het donker komen we aan. Ook in de bus zat medelander Gert met zijn Thaise bruid. Hij weet een geschikt hotelletje en we delen een taxi er naartoe. Daarna stelt hij voor samen uit eten te gaan, een uitnodiging waar we even over twijfelen, want we hebben zo onze (voor)oordelen over oude blanke mannen en jonge Thaise vrouwen en die geven we niet zomaar prijs natuurlijk. Maar we doen het toch, gelukkig, en beleven een buitengewone avond. Daarover later meer.




Champasak

Reisdagen zijn altijd spannend. In de zin van: opwindend, omdat je weet dat er iets nieuws en onbekends komt en je nieuwe vergezichten zult zien. Maar ook in de zin van: onzeker, omdat...er iets nieuws en onbekends komt.

Je kunt niet overzien waar je terecht zult komen. Over het algemeen speelt de opwinding in het begin van de reis een rol en de onzekerheid pas helemaal aan het eind. Daartussen, ja daartussen zit de eigenlijke reis: een lange periode van...niets. Wachten. Op mij heeft dat een kalmerend effect, ik word altijd heel rustig van reizen, ongeacht of het nou in een saai vliegtuig zonder uitzicht is of in een Afrikaanse bus vol kakelende kippen en lokalen. Met dank aan Primatour, ook. Deze pillen tegen reisziekte slik ik altijd voorafgaand aan boot- en busreizen. Jarenlang heb ik me afgevraagd waarom ik, eenmaal onderweg, al na vijf minuten overvallen werd door een onbedwingbare behoefte tot slapen. Tot ik een keer de bijsluiter van Primatour laszzzz. Hoe dan ook, reisdagen zijn dus prettige, ontspannen dagen met een geheel eigen dynamiek.

Ubon Ratchathani

Geluk zit -net als ongeluk- in een klein hoekje. Onverwacht springt het naar voren. Ook hoogtepunten van reizen kunnen onvoorspelbaar zijn: vaak zijn het toevallige ontmoetingen, plekken waar je komt als je fout loopt, zaken die anders gaan dan je had gepland.

Zo bewaar ik een warme herinnering aan Ubon Ratchathani, een provincieplaats waar weinig te beleven valt en eigenlijk niemand komt, maar waar wij een middagje moesten doorbrengen omdat we er ’s ochtends per bus aankwamen en ons vliegtuig pas ’s avonds laat vertrok. Het grappige is dat het vliegveld(je) zich midden in de stad bevindt. Nadat we ’s ochtends onze bagage in bewaring hadden gegeven en een taxi naar het centrum hadden genomen, bleek dit zo dichtbij dat we ’s avonds gewoon zijn teruggelopen.




Koh Lipe

Gezocht: tropisch eiland… Helaas is Laos ‘landlocked’, zoals de Engelsen zo mooi zeggen, dus moeten we uitwijken naar Thailand. Na flink wat surf- en vliegwerk in Laotiaanse cyberspace valt onze keuze op Koh Lipe, een miniscuul paradijsje in de Indische Oceaan, helemaal in het zuiden van Thailand, zo’n beetje op de grens met Maleisië.

Het vereist dus nogal wat gereis om er te komen. Op een rijtje gezet, in anderhalve dag: een tuctuc, een bus, een taxi, een vliegtuig, een taxi, een hotelbusje, nog een vliegtuig, nog een taxi, een veerboot… En dan nog vijf minuten lopen op een knisperend wit tropisch strand.





Oktober 2010

Huisje in Lamorménil


Jouanique 2010

 7 – 13 augustus 2010

Voor de eerste keer op bezoek bij Peter en Liesbet in Frankrijk. We gingen samen met Jeroen en Josje en maakten op de heenweg een tussenstop in Parijs.

Mei 2010

Camping Tonny



Madrid

1 - 5 april 2010

Een stedentrip naar Spanje gaat negen van de tien keer naar Barcelona. Of in mijn geval, drie van de vier keer. Ik was al drie keer in Barcelona geweest voor ik m’n toeristische vizier richtte op die andere Iberische schietschijf, Madrid. 

Het valt ook wel te begrijpen, want Barcelona is hot en hip en leuk, terwijl Madrid...eh...Madrid...ja, wat kunnen we zeggen over Madrid? Het Prado staat er, een soort Rijksmuseum maar dan nòg groter. Maar verder? Kortom, hoog tijd om er eens een kijkje te nemen.


Tanzania 2009

Afrika stond nooit bovenaan ons verlanglijstje. Ten onrechte, want een reis naar Tanzania werd een onvergetelijke ervaring. Vanwege het fantastische landschap, de uitgestrekte savannes waar olifanten, giraffes en zebra’s doorheen wandelden, en trotse Masaï-herders in rode mantel met hun koeien en geiten. Vanwege de stadjes met hun lome straten, maar levendige markten waar het groente en fruit even kleurrijk was als de kleding van de verkoopsters. En vanwege de Tanzanianen en hun gulle, gemakkelijke lach en hun aanstekelijke taal, het Swahili. Jambo, klonk het overal uitnodigend. Een land om warm van te worden.



Naar Afrika

Oktober 2009

Afrika. Het moest er een keer van komen. Op een bepaalde manier ben ik altijd bang geweest voor dat continent.

Te veel, te vaak slecht nieuws gehoord: honger, droogte, dictators, geweld, chaos. In mijn jeugd las ik in Readers Digest een verhaal over Idi Amin, ‘de slachter van Oeganda’, en die gruwelgeschiedenis heeft mijn beeld van Afrika fundamenteel bepaald. Dat mijn vader er jarenlang werkte maakte voor mij geen verschil. Weliswaar kwam hij thuis met stapels Afrikaanse muziek, maar ook met verhalen over staatsgrepen, lijken in de haven, autobandexecuties. Wat een zootje, dat Afrika. Levensgevaarlijk. Uit de buurt blijven.

Dar es Salaam

5 - 7 oktober 2009

Het is ongeveer tien uur vliegen naar Tanzania. Het mooie aan Afrika is dat het pal onder Europa ligt. Geen gedonder met tijdzones dus, je hebt hooguit een uurtje tijdverschil en dat kan ik aan, jetlagstakker die ik ben.

Om half tien ’s avonds landden we op Julius Nyerere International Airport in Dar Es Salaam, alwaar een mannetje voor ons klaar stond. Dat had Flash Safaris mooi voor ons geregeld. Dachten we. Maar mooi niet. Er stonden wel een paar mannetjes die blij een bordje omhoog staken, maar niet met onze naam erop. Kennelijk had Flash alleen een hotel geboekt en geen pick-up. Het was nog een geluk dat we ons de naam van het hotel herinnerden dat een keer in een mailtje was genoemd. Dus namen we zelf maar een taxi en maakten meteen kennis met de Tanzaniaanse munteenheid, de Tanzanian Shilling ofwel Tsh, met de Monopolykoers van 2000 stuks voor 1 euro. Aldus arriveerden we in Palm Beach Hotel, dat overigens niet aan het strand lag, maar aan een vierbaansweg. Palmen stonden er wel.

Tarangire

7 - 9 oktober 2009

Het woord ‘safari’ stamt van het Arabische woord ‘safara’ dat ‘reizen’ betekent. Het is een van de vele voorbeelden van de invloed van het Arabisch op het Swahili, net zoals je ook veel voorbeelden hebt van Engelse en Duitse invloed op het Swahili. Wat dat betreft is Swahili een bonte taal vol leenwoorden, vaak met een komisch effect.

Mbenzi bijvoorbeeld betekent ‘een rijk persoon’ en is een verbastering van Mercedes Benz, want daarin rijden rijke mensen. Een keep lefti is een rotonde, een baisikeli een fiets. Het Swahili wordt door zo’n 50 miljoen mensen in Oost-Afrika gesproken,  hoofdzakelijk in Kenia, Tanzania en Oeganda. Het is een vrij eenvoudige taal, zonder grammaticale rariteiten. Wel bestaat er een ingewikkeld begroetingsritueel. Je groet iemand door jambo te zeggen, ‘hallo’. De ander zegt dan mambo, hoe gaat het. Dan zegt jij weer poa. De ander vipi. Etcetera, zowat tot in het oneindige. Christel kwam na een paar weken een heel eind met dit gepingpong, tot groot vermaak van de Afrikanen.


Manyara

9 - 10 oktober 2009 

De volgende dag verlaten we Tarangire en rijden –via toeristenfuik Mto wa Mbu, ofwel ‘Mosquito Creek’–  naar een nabijgelegen reservaat, Lake Manyara National Park. Dit is een klein park, eigenlijk een soort groenstrook tussen een uitgestrekt meer en een heuvelrug, de Great Rift. Die Great Rift is natuurlijk wereldberoemd.

Het is de benaming voor een langgerekt stelsel van valleien dat loopt van Syrië dwars door Oost-Afrika tot in Mozambique, eigenlijk een soort trog van ruim 6000 kilometer lang. Met een ‘rift’ wordt een gebied aangeduid waar de aardkorst uitelkaar beweegt, zodat er een dal ontstaat (slenk) en heuvels (horst). Vaak vind je er meren en vulkanen, zoals in Tanzania inderdaad het geval is. De Great Rift Valley is vooral zo bekend geworden vanwege de vele antropologische vondsten van aapmensen en ‘eerste’ mensen zoals in Laetoli en Oldupai.  Onze campsite is achteraan in het park, een beetje tegen de helling op. Dit keer een beschut plekje, onder de bomen. De wetenschap dat we ons in de Great Rift Valley bevinden, letterlijk in de voetsporen van onze voorouders van miljoenen jaren geleden, geeft het een extra dimensie. Hier hebben ze rondgelopen, in dit landschap. Heel bijzonder.




Serengeti

9 - 12 oktober 2009

Na twee kleinere parken is het de beurt om het grootste en beroemdste ‘wildpark’ van Tanzania te bezoeken. Wildpark tussen aanhalingstekens, want het betreft een gebied bijna zo groot als Nederland en er staat echt geen hek omheen. We hebben het over de Serengeti.

De Serengeti ligt op de grens van Tanzania en Kenia en bestaat grotendeels uit open savanne, zoals de naam (‘eindeloze vlakte’) al aangeeft. Het is eigenlijk één enorm weidegebied en er leven dan ook naar schatting 1,5 miljoen grazers, hoofdzakelijk gnoes (1 miljoen), maar ook zo’n 300.000 gazelles en 200.000 zebra’s. Deze dieren vormen gigantische kuddes die ieder jaar met de klok mee migreren over de Serengeti. In juni (wanneer het droge seizoen begint) vertrekken ze naar het noorden, op zoek naar de grazige weiden in Kenia, waarna ze zo rond november-december (na het droge seizoen) weer terugkeren naar het zuiden. Het is de grootste migratiebeweging ter wereld en het moet een spectaculair gezicht zijn, die onafzienbare hordes hoefachtigen, soms wel 40 kilometer lang, galopperend over de vlakte en belaagd door leeuwen, jachtluipaarden en krokodillen die hun lunch op een presenteerblad voorbij zien komen. Maar wij gaan het niet meemaken. Het is nu begin oktober, de kuddes bevinden zich in het noorden, wij in het zuiden. Maakt niet uit. De Serengeti is bijzonder genoeg.




  

Ngorongoro

12 - 14 oktober 2009

Van het ene natuurmonument naar het andere. Van Serengeti naar Ngorongoro. Maar eerst uren terugrijden door de ‘eindeloze vlakte’ en het omliggende Masaï-land.

We passeren weer de kleine jongetjes die hun magere koeien hoeden. Een paar staan te bedelen langs de weg en Freddy werpt ze flesjes water toe. De hele dag met die beesten op stap, van ’s ochtends tot ’s avonds, in de brandende zon, zonder water... Je kunt het je niet voorstellen. Het is zo’n moment waarop je je weer eens vadsig rijk en decadent voelt, bevoorrecht door het lot zonder dat je er iets voor gedaan hebt, anders dan geboren worden in Nederland.


Toerist met Masaï-mannen

Toerist met Masaï-vrouwen

Olmoti en Empakai

14 - 17 oktober 2009

Ngorongoro is niet de enige ouwe vulkaan in het Ngorongoro Conservation Area. Er zijn er nog twee, Olmoti en Empakai, en die gaan we bezoeken via een ‘walking safari’...gewoon wandelen dus. Eerst rijden we terug naar de centrale poort van Ngorongoro om Josepha af te zetten en een nieuwe ranger op te pikken die ons moet beschermen tegen de wildlife.

Eddy is zijn naam, een rustige jonge vent met veel kennis van het gebied. Hij spreekt ook Masaï en dat komt van pas, want we begeven ons nu in hardcore Masaï-land. Met hem erbij rijden we zo’n anderhalf uur het park in, naar Nainokanoka, een klein plaatsje aan de voet van de Olmoti. Nainokanoka betekent ‘mistige plaats’. Ons kamp wordt opgezet aan de rand van het dorp, onder toeziend oog van een aantal Masaï-krijgers, die zwart en zwijgend onder de bomen staan met hun speren. Terwijl de jongens daarmee zoet zijn, maken wij met Eddy een wandeling door het dorpje. Een keer per maand is hier een grote Masaï-markt, maar nu gebeurt er weinig in de brede stoffige straten. Totdat...Christel de ballonnetjes tevoorschijn haalt. In no time komen overal blije kindertjes vandaan en is het een gekrakeel van jewelste waar zelfs de flegmatieke Eddy om moet lachen.






Arusha

17 - 19 oktober 2009

Ochtend bij Emapakai. Een pinkivingerige dageraad, zoals de Homerus van Tanzania zou zeggen. De tiende en laatste dag van onze safari is aangebroken.

We pakken het boeltje nog eenmaal in en rijden dan terug. Terug langs Bulati. Langs Nainokanoka. Langs Ngorongoro waar we Eddy afzetten en een groepsfoto maken. Langs Manyara.



Lushoto

20 oktober – 24 oktober

De bus naar Lushoto heette een luxury bus te zijn die er vier uur over deed. Maak daar maar het dubbele van. We doen er acht uur over, maar dat is inclusief een lekke band en een paniekerige scene in Moshi waar we, net uitgestapt voor een sanitaire stop, de bus plots zagen wegrijden, de hoek om en de straat uit, bye bye all you little people. 

Het bleek onderdeel van een raadselachtige standaardprocedure waarbij de bus omkeerde of zoiets. Hoe dan ook, halverwege de middag arriveren we in Lushoto, na de laatste 35 kilometer vanaf het laagland omhoog geslingerd te zijn, de bergen in, via een vers geasfalteerde strook rijplezier gesponsord door Duitsland.

Als we uitstappen klampen allerlei jongens ons aan, zoals gewoonlijk. Where going? We noemen een hotel dat we al hebben uitgezocht en dan blijkt die klassieke smoes uit India ook hier opgeld te doen: o no, hotel closed, hotel wordt verbouwd. Jaja, nou, toch maar even kijken. Twee jonge jongens lopen beleefd met ons mee, bieden zelfs aan onze rugzakken te dragen, nee hoor, doen we zelf wel, en als we dan zwetend een heuveltje zijn opgelopen en het hotel naderen blijkt het…gesloten. Wegens verbouwing. De jongens leven met ons mee: wat vervelend nou. Maar ze weten wel een ander adres en met liefde loodsen ze ons de heuvel weer af, naar Saint Benedicts Guesthouse, een guesthouse naast de kerk met een grote tuin en uitzicht op een open veld, de Parade Ground van Lushoto. De kamer is simpel maar ruim genoeg en goedkoop. Een prima plek eigenlijk, dus we bedanken de jongens zonder wie we dit nooit hadden gevonden. Tja, zo blijft het voortdurend laveren tussen gepast vertrouwen en gepast wantrouwen, zo op reis in den vreemde.

Busstation in Lushoto

Tanga

24 oktober – 26 oktober 2009

Van Lushoto nemen we de bus naar de kust. Het is een klein busje dat overal stopt, soms is ie leeg soms boordevol, passagiers komen en gaan, baby’s worden doorgeschoven, ook Christel zit  twee uur lang met een jochie van 7 op schoot, en zo komen we in Tanga, een ervaring rijker. 



Pemba

26 oktober - 2 n0vember 2009

Tanzania is officieel een unie van twee republieken: Tanganyika (het vasteland) en Zanzibar (een eilandengroep). De eerste was, nadat de Duitsers in 1918 waren verslagen, een Britse kolonie en werd in 1961 onafhankelijk onder president Julius Nyerere; de tweede was een Arabisch sultanaat en werd in 1964 na een korte revolutie een republiek onder president Karume. Nog datzelfde jaar vormden de twee staten samen een unie waarbij hun namen werden samengevoegd tot Tan-Zan-ia. Nyerere werd de eerste gezamenlijke president. 


Het is een beetje merkwaardig, omdat Zanzibar natuurlijk maar een zandkorrel is vergeleken bij dat immense vasteland, 0,2% qua oppervlak, 5% qua bevolking, maar wel een derde van alle zetels in het parlement van Tanzania bezet, met alle scheve geldstromen vandien. Geen wonder dat de constructie weinig populair is op het vasteland en vaak tot spanningen leidt, met name in verkiezingstijd. Hoe dan ook heeft Zanzibar dus z’n eigen regering, parlement, immigratie, douane enzovoorts en je krijgt keurig een stempel in je paspoort als je het eiland betreedt, óók als je gewoon met de ferry uit Dar es Salaam komt.

Zanzibar

2 - 5 november 2009

Sommige namen zijn exotisch van zichzelf. Timbuktu bijvoorbeeld, Ougadougou of Kathmandu. Zulke namen roepen meteen een zwoel gevoel op, iets van avontuur en romantiek, zonder dat je verder veel van deze plaatsen weet. 


Zanzibar is ook zo’n naam. Een naam die klinkt als een spannend en sensueel oord, ver weg van hier, eerder een fantasie dan een werkelijk bestaande plek. Maar Zanzibar is echt. Onze ferry legt er namelijk aan, bij de hoofdstad Stone Town. Een naam die dan weer de uitstraling van een baksteen heeft.
We verblijven in Zenji Hotel, op loopafstand van de bootterminal. Een smaakvol ingericht hotel, volgestopt met lokale kunstnijverheid, in handen van een Nederlands-Zanzibaars koppel. Elke kamer heeft een naam: onze heet ‘Sense of Jasmin’. Vanuit het hotel is de stad prima te belopen. Het eerste dat we tegenkomen is Mercury’s, een grote bar met uitzicht over de haven waar we onszelf trakteren op een welkomstbiertje. Overal posters van Freddy Mercury. En ja, het begint ons te dagen: de zanger van Queen is hier geboren, op Zanzibar.
Paleis van de sultan

Zuid-Engeland 2009

In 1990 heb ik een schitterende fietstocht gemaakt langs de vele bezienswaardigheden van Zuid-Engeland (zie HIER). Twintig jaar later gaan Christel en ik de hoogtepunten van die tocht nog eens bezoeken: Stonehenge, Glastonbury, Cheddar Gorge. Een ‘best of’, zeg maar. Veel meer zit er helaas niet in, want we hebben maar een itsy bitsy teeny weeny augustusweekje te besteden.



Salisbury

Augustus 2009

We gaan weer eens met de camper. Niet het kleine, vertrouwde Isuzuutje van weleer, maar de grote Toyota-bus waarvoor m’n ouders hem dit jaar hebben ingeruild: een échte camper, oneindig ruimer en luxer, met een goed bed, een kachel en een wc, plus een koelkast die het dóet. Motorisch is het gevaarte echter beduidend minder. 





Glastonbury

Augustus 2009

Van Salisbury gaan we met de camper naar Glastonbury, maar via een grote omweg langs Avebury en Cheddar Gorge. Avebury is een andere prehistorische steencirkel, alleen heel anders dan Stonehenge: de kring heeft een middellijn van drie voetbalvelden, heel weids dus, bovendien ligt er een dorpje in. Er staan nog 98 stenen, sommige bescheiden, andere enorm.








Exmoor

Augustus 2009

Maargoed…gaan we ook nog iets nieuws doen? Jazeker wel. Zuid-Engeland kent twee grote natuurgebieden, te weten Dartmoor en Exmoor; de eerste heb ik al bezocht, de tweede nog niet, dus koersen we die kant op. 




Londen

27 - 31 mei 2009

Ineens besloten we naar Londen te gaan, met EasyJet. Dat heb je wel eens. EasyJet vloog vanaf Eindhoven naar Stansted Airport.

Mei 2009

Camping Tonny


Bhutan 2008

De reis naar Bhutan was bijna een sprookje. Het land lijkt niet van deze wereld: wonderschoon, zuiver, verstild en doordrenkt van  het boeddhisme.  De groene valleien zijn bezaaid met stupa’s en overal waaien de gebedsvlaggen. We reisden mee met een groep Duitse boeddhisten die waren uitgenodigd door hun leraar (rinpoche) om de heropening van zijn klooster bij te wonen. Dit bleek een enorm spektakel te zijn, waar zelfs de koning van Bhutan bij aanwezig was. Zo’n twee weken hebben we doorgebracht in dit ‘land van de draak’. Daarna hebben we er nog twee weekjes India en Nepal aan vastgeplakt. We waren toch in de buurt.

Op reis

Vrijdag 19 september 2008

Bhutan dus. Naar dit mysterieuze land, dat in de eigen taal ‘het land van de draak’ heet, vertrekken we volgende week.

Het is een klein landje, iets groter dan Nederland, het heeft een half miljoen inwoners en ligt ingeklemd tussen twee reusachtige buren, te weten China en India. Je hoort er zelden iets over en nog zeldener kom je iemand tegen die er is geweest. Eeuwenlang heeft het zich teruggetrokken achter de hoge muren van de Himalaya. Pas de laatste jaren opent het land zich een beetje. Het moet wel. Televisie, internet, globaal toerisme: de moderne tijd heeft zelfs dit ruige, geïsoleerde stukje aarde weten te vinden en dringt zich naar binnen, met als gevolg dat de bewoners automatisch ook naar buiten zijn gaan kijken. Zo gaat dat. Een opening heeft twee kanten.


Jakar

Dinsdag 7 oktober 2008

Een berichtje vanuit Bhutan. We zijn in het plaatsje Jakar, in de Bhumtang-vallei, hartje Bhutan. Vanaf de grens was het drie volle dagen met de bus. 

Bhutan kent geen snelwegen, geen spoorwegen, geen vliegvelden (alleen een internationale luchthaven), dus alle vervoer gaat over smalle wegen die -bij gebrek aan tunnels en bruggen- eindeloos slingerend de natuurlijke route zoeken langs de enorme bergwanden. Daardoor hebben we in die drie dagen slechts 400 kilometer afgelegd. De weg is over het algemeen wel geasfalteerd, maar zit vol gaten en bulten, en de afgelopen moessonregens hebben sommige stukken helemaal weggeslagen. Je wordt dus flink doorelkaar gerammeld. Gelukkig hebben we hier in Jakar een paar dagen rust.


Paro

Dinsdag 14 oktober 2008

Even een kort berichtje. In dit land is namelijk ook het internet boeddhistisch...zonder haast, zullen we maar zeggen. Inmiddels zijn we al een paar dagen in Paro, na de hoofdstad (Thimpu) het grootste plaatsje van het land.

Hier bevindt zich de enige luchthaven: één landingsbaan waar iedere dag twee vluchten aankomen en vertrekken van de Bhutanese luchtvaartmaatschappij, Druk Air. En hier bevindt zich het mooiste en beroemdste klooster van het land, het Tijgernest, dat ongeveer een kilometer boven de grond tegen de rotsen hangt. Daarover echter een andere keer. Morgen maken we weer die ellendige bustocht van acht uur naar de grens met India en dan zit Bhutan er voor ons op. Er valt enorm veel over te vertellen en dat zullen we binnenkort doen vanuit India. En Christel gaat foto’s plaatsen...als ze tenminste kan kiezen. Tot later dus.


Paro

Jaigaon

Donderdag 16 oktober 2008

We zijn in India, in een plaatsje dat Jaigaon heet en precies op de Indiase-Bhutanese grens ligt. Die grens bestaat uit een versierde poort waar voetgangers en verkeer vrijelijk doorheen kunnen gaan, al liggen er wel desinfecterende matten en worden de auto’s afgespoeld voor ze Bhutan binnen mogen. 
 
Gistermiddag zijn we hier aangekomen. De rest van de groep is vannacht vertrokken, weer terug naar huis, en wij hadden vandaag willen doorreizen naar Darjeeling, maar … het openbaar vervoer staakt. Dus blijven we nog een dagje. Jaigaon is een echt Indiaas plaatsje, klein en smerig en rommelig, en het is er tropisch heet, maar het internet is in ieder geval goedkoop en niet al te langzaam. Straks steken we gewoon weer even de grens over en drinken een kopje thee in Bhutan. Daar is het ook warm, maar tenminste schoon en rustig. We kunnen er alleen niet overnachten omdat ons visum vandaag verstrijkt.

Nepal 2008

We maakten een reis naar Bhutan dat jaar, en aansluitend deden we een trekking in de bergen rond Darjeeling, op de grens met Nepal. Ja, als je dan toch in de buurt bent...dan ga je even namasté zeggen tegen je vrienden natuurlijk.

Bodhanath

Zaterdag 25 oktober 2008

Inmiddels zijn we in Kathmandu, Nepal. Preciezer gezegd: in Bodhanath, een voorstadje van Kathmandu waar een enorme stoepa staat. 

Tot het laatste moment wisten we nog niet of we vanuit India met bus of vliegtuig zouden gaan, maar toen we hoorden dat een deel van de weg door Oost-Nepal door een dambreuk was vernietigd en dat een busreis nu 50 uur zou duren kozen we schielijk voor het vliegtuig, dat er 50 minuten over deed. Wel bleek het nog een heel avontuur om bij het vliegveld te komen, maar daarover later. Hier in Bodhanath logeren we bij Karma, een monnik die we vier jaar geleden hebben leren kennen. Hij woont in een keurig 4-kamer flatje. Het is ontzettend leuk om hem weer te zien, en ook om terug te zijn op deze bijzondere plek in de schaduw van de stoepa.

Utrecht

Zondag 2 november 2008

Ja, we zijn weer thuis. Zo makkelijk als je dat even opschrijft…zo moeilijk bleek het om thuis te komen. We hebben in Nepal vijf dagen geprobeerd een vliegticket terug naar Delhi te krijgen, maar zonder resultaat.

Alles zat vol. Enige alternatief was een busrit van 36 uur: zes-en-der-tig-uur-dus-brr. Daar zagen we nogal tegenop, temeer omdat we dan een dag eerder moesten vertrekken en de laatste dag misten van Tihar, het lichtjesfeest, juist de dag waar alles om draaide. Daarover later.

Eén ingeving van de eigenaar van reisbureautje Oxford Air Cargo redde ons: waarom vlieg je niet via Varanasi? Hij boekte voor ons twee vluchten, Kathmandu-Varanasi en Varanasi-Delhi, met een overstaptijd van 50 minuten en een kans van 99% dat we die tweede vlucht zouden missen, waarvoor hij dan weer voor een klein bedragje een geld-terug-garantie aanbood. Hij dacht aan alles. Wij ook. Wij dachten: laat die tweede vlucht maar zitten, vanuit Varanasi nemen we gewoon de nachttrein naar Delhi, duurt ‘maar’ 12 uur en je kan lekker slapen.


Bhai Tika



Woensdag 5 november 2008

Altijd al willen weten hoe Bhai Tika eruit ziet?


Bhai Tika is de vijfde en laatste dag van het lichtjesfeest, Tihar of Dewali genoemd, dat traditioneel in november wordt gevierd. Op deze dag zegenen zusters hun jongere broers (bhai) door op rituele wijze een stip op hun voorhoofd (tika) aan te brengen, een bloemenkrans om te hangen en cadeau's te geven.
(De andere vier dagen staan de kraai, de hond, de koe en de os centraal...)

Troch it heitelân

Over een wandeling door Friesland
15-16 augustus 2008

Ze mogen dan vloeken en tieren als grote kerels  –uit, bliksems! heidaar! kwea! godverdomme boven! – maar in mijn ogen zijn het slechts jochies, bleek en gesoigneerd, niet te vergelijken met de kaatshelden uit mijn jeugd, de stoere mannen met woeste snorren en baarden die spuugden in hun want en bal na bal naar de verdoemenis sloegen, áchteruit verdomme… 

Voor de rest lijkt echter veel hetzelfde gebleven. Ik herinner het me opeens weer, al die dingen om me heen, moeiteloos, ook al was ik zelfs vergeten dat ik ze ooit was vergeten: de jongetjes met de kaatsblokjes, de scheidsrechters, het ingewikkelde scorebord (een woord borrelt op uit de diepte, telegraaf), de notabelen op het podium, de eenvoudige muziekkapel van waaruit de plaatselijke fanfare dit dorpstafereeltje met koper omlijst…  Alleen de bomen zijn nieuw. Die waren er nog niet, destijds, toen op dit weiland vol graspollen en koeievlaaien achter het schoolplein een nieuw kaatsveld werd aangelegd. Lang bleef het een kale, winderige vlakte waar de frisse jonge aanplant net zo erg stond te huiveren als de kaatsers, maar inmiddels, ruim vijfentwintig jaar later, blijkt de begroeiing opgeschoten tot een dikke groene bosschage die het veld omringt, beschut, transformeert tot een echte Friese kaatsarena.

De gebarsten ketel

Autobiografische notitie

Augustus 2008

Onlangs, in Amsterdam, op het wekelijkse marktje op het Spui, trof ik tussen de usual suspects van het tweedehands boekengebeuren plots de eerste druk van Jeroen Brouwers’ ‘Winterlicht’, met z’n omslag van Van Gogh opvlammend tussen de versleten ruggen. En hoewel ik geen bibliofiel ben, sloeg m’n hart even sneller. Lang gezocht, deze eerste druk. Of beter gezegd: lang op gewacht. Ik zoek namelijk geen boeken, ik hoop dat ik ze toevallig  tegenkom als ik een boekenwinkel of boekenmarkt bezoek, en als ik ze niet tegenkom is het ook prima, want dan blijft er nog iets over om volgende keer tegen te komen. Een verzamelaar is iemand die iets niet heeft, hoorde ik eens zeggen. Op slag begreep ik het wezen van verzamelen. Verzamelen draait niet om de verzameling, maar om de verzamelaar. Verzamelingen kunnen af zijn, compleet, finito, een verzamelaar daarentegen is nooit klaar: die verzamelt wel weer iets anders. Ik heb dus geen haast verzamelingen compleet te maken en wacht geduldig tot het lot mij een boek zomaar toeschuift, zoals nu deze eerste druk van ‘Winterlicht’. Bij De Slegte in Utrecht heb ik al een tijdje eentje op de plank zien staan– echter zonder het omslag, het korenveld met kraaien van Van Gogh dat beschreven wordt in het boek en zo meesterlijk de essentie van het verhaal lijkt uit te dragen, het gevoel van haast, van paniek, van vergankelijkheid en doodsangst. En zonder dat mooie omslag hoefde ik het boek niet. De roman op zich bezat ik namelijk al, in herdruk, zo’n goedkope flutpocket met een lelijke voorkant. Maar nu was er dit complete, bekafte exemplaar: voor acht euro kocht ik het en voelde even, een moment, puur verzamelaarsgeluk.


Praag

26 juli – 1 augustus 2008

Ons campertje wordt een weekje uitgelaten en wij gaan mee. We vertrekken zaterdag, na tweeën pas, want eerst inpakken, inruimen, boodschappen etcetera...bovendien moet er ook nog getraind worden ’s ochtends, een duurloop van 12,5 kilometer. Christel is in training voor de Dam-tot-Dam-loop en houdt zich strak aan haar trainingsschema.