Dahab 2012

23-30 maart 2012


Dahab is een heerlijk plaatsje. Het is rustig, overzichtelijk, ontspannen, je kunt er prima duiken en snorkelen en de bewoners laten je gewoon je gang gaan, wat niet overal in Egypte zo is. Toen we er in 2007 waren, wisten we zeker: hier gaan we volgend jaar weer naartoe. Uiteindelijk zou het dus vijf jaar duren. 

Nu, in 2012, zijn we er weer, ditmaal met m’n ouders en m’n zus Leonie. We zitten in een ander hotel (Star of Dahab), aan zee deze keer. Christel en ik hadden een tweepersoonskamer geboekt, maar krijgen een soort familiekamer, alsof ze wisten dat we eigenlijk met z'n drietjes kwamen... (Christel was vier maanden zwanger inmiddels.) Voor de rest lijkt er niets veranderd. Ongetwijfeld zijn er wat zaakjes verdwenen en andere voor teruggekomen, en is Egypte inmiddels een revolutie rijker en een Mubarak armer, maar voor het oog is Dahab nog hezelfde lome luie loungeplaatsje.

Met Boesi, de huiskat


Istanbul

16-20 februari 2012

Veel romantischer dan Istanbul wordt het niet. De parel van de Oriënt, uitgestrekt langs de Bosporus als een kleurrijk Perzisch tapijt, de enige stad ter wereld die zich bevindt op twee continenten, Europa en Azië. In zijn illustere geschiedenis begeerd door koningen, keizers, satrapen, khans, sultans en gewone barbaren en daardoor eeuwenlang inzet van oorlog geweest, toen de stad nog Byzantium en Constantinopel heette. 

De laatste slag werd geslagen door de Turken, in 1453. Sindsdien luidt de naam Istanbul. Tegenwoordig is het een metropool van bijna twintig miljoen inwoners met een skyline vol flats en minaretten die vijf keer per dag de adhaan, of gebedsoproep, de lucht in slingeren.


Hagia Sofia

Indonesië 2011

Indonesië als reisbestemming stond nooit zo op ons netvlies. Té bekend, misschien. Uit de boeken van Multatuli, Couperus, Haasse en -niet te vergeten- Jeroen Brouwers, wiens meesterwerk 'De zondvloed' over zijn jeugd op Borneo onderwerp van mijn afstudeerscriptie was. En dan nog die verhalen over massatoerisme op Bali, brr... Toch, toen we weer eens de wereldkaart bekeken en dat uitgestrekte eilandenrijk bestudeerden werden we toch nieuwsgierig. We lazen over vulkanen, oerwouden, onderwaterparadijzen. Over varanen, orang-oetangs, tarsiërs. Over de Borobudur en Prambanan. Over nasi en goreng. De beslissing om te gaan was snel genomen, moeilijker was de keuze naar welk eiland. Uiteindelijk zijn we in een maand van Java naar Bali naar Lombok gereisd, en vandaar met het vliegtuig naar Sulawesi. Veel te kort, natuurlijk, voor zo'n ontzettend veelzijdig land. Hoogtepunt was ons verblijf op het kleine en bescheiden Lombok waar we de Gurung Rinjani hebben beklommen (bijna, dan) en ons -tijdens een brommertocht- hebben gelaafd aan de hartelijkheid van de bewoners. En aan gado gado, natuurlijk...

Jakarta

Woensdag 28 september

Aangekomen in Jakarta, na een vlucht van 24 uur met overstap in Frankfurt en Doha (Qatar). In die laatste plaats liepen we twee uur vertraging op, omdat op het laatste moment, toen het vliegtuig al zo’n beetje opsteeg, besloten werd iemand eruit te zetten. Dat betekende terugtaxieën, security aan boord halen en met enige discussie een Arabische man met zijn vrouw in boerka afvoeren.


Daarna werd alle handbagage gecontroleerd door ieder stuk omhoog te houden en te vragen wie de eigenaar was. Zo ontdekten ze de vastgebonden staven dynamiet met het eierwekkertje... Naar het leek had de man ruzie gemaakt met zijn buurman en bleef hij amok maken. Het opvallende is dat je jezelf op zo’n moment toch even afvraagt of er misschien sprake is van een terrorist. Vóór 9-11 was dat waarschijnlijk niet bij je opgekomen. Dit even los van de vraag of de Jihad er veel mee opschiet als een Arabisch vliegtuig vol Indonesische moslims wordt opgeblazen...

Jakarta 2

Zaterdag 1 oktober


Een paar dagen Jakarta achter de rug. Een drukke en lawaaiïge stad, die als een stevige roker de hele dag een vieze wolk uitblaast, afkomstig van het verkeer dat zonder ophouden rondraast. Auto’s, taxi’s, tuctucs, busjes, brommertjes, heel veel brommertjes.

De eerste dag hebben wij ons gered met lopen en taxi’s, maar op dag twee kregen we de Transjakarta in de smiezen, hét antwoord van de stad op haar vervoersverstopping: een aparte busbaan op de hoofdwegen waar bussen af en aan rijden, naar vaste haltes die ongeveer een kilometer uitelkaar liggen, vergelijkbaar met een metrosysteem. Simpel, maar het werkt prima. Het loste alleen niet het probleem op hoe je in Jakarta een straat oversteekt waar drie rijen auto’s voorbij scheuren...


Monas...maar kom er maar eens...

Onderweg

Woensdag 5 oktober

Vier dagen in Yogyakarta gebleven. We mogen nu 'Yogya' zeggen, want we kennen de stad een beetje. Ontzettend veel gezien, daarovereen andere keer meer.

Inmiddels zijn we weer verder gereisd in oostelijke richting. De Bromo, een actieve vulkaan en ook een grote trekpleister hier, laten we links liggen. We hebben vreselijke verhalen gehoord over oplichterij en moeilijkdoenerij bij de Bromo, en waar rook is is vuur...zeker bij vulkanen. In plaats daarvan gaan we naar de vulkaan Ijen, morgen, en vandaar door naar Bali. Binnenkort hopelijk meer nieuws.

Yogyakarta

Vrijdag 7 oktober


Yogyakarta ligt in het midden van Java en geldt als het culturele ‘hart’ ervan: hier zijn de Javaanse cultuur en tradities het meest bewaard gebleven. Als ik zoiets lees gaat er altijd een alarmbel af in m’n hoofd, want vaak is zoiets juist een eufemisme voor uitverkoop van cultuur. Ofwel, hier is ‘cultuur’ ons plaatselijk product en we gooien je dood met toeristentourtjes naar hetzelfde showfabriekje of showoptreden.

Maar in Yogyakarta (vanaf nu verder Yogya genoemd) is er wel iets van waar. Dat wil zeggen, de stad puilt uit van batik-winkels en we werden binnen een uur al tweemaal doorverwezen naar dezelfde ‘speciale’ batik-school, maar we hebben dat opgelost door daar inderdaad maar meteen naartoe te gaan en iets te kopen, zodat we verder het hele batikgebeuren achter ons konden laten. De aanval is de beste verdediging, soms. Maar een culturele stad is het verder zeker.

De weg naar Bali

Dinsdag 11 oktober


Reizen bestaat toch wel erg vaak uit…reizen. Die tautologie gaat regelmatig door m’n hoofd als ik weer eens in een hobbelbus zit. Reizen is geen vakantie.

Het is hard werken, soms. Christel en ik gebruiken doorgaans lokaal openbaar vervoer en dat is niet altijd de snelste manier, noch de meest confortabele, maar beslist de interessantste. Goedkoop en tegelijkertijd onbetaalbaar. Is het niet fantastisch om in een busje vol Indonesiërs te zitten die allemaal een gesprekje willen aanknopen met die rare lui uit Belanda, in slecht Engels, half Engels, geen Engels? Of een aubade te krijgen, waarschijnlijk zeer poëtisch maar helaas onverstaanbaar, van een jongeman met een gitaar in het gangpad? (Ze hebben hier trouwens de gewoonte om straatartiesten meteen geld toe te stoppen, al na het eerste akkoord, om er maar vanaf te zijn waarschijnlijk...)   Of dan die oude man die ineens opstond en in keurig, ouderwets Nederlands een gesprekje begon, waarbij hij trots vertelde dat hij in 1926 was geboren, om na een beleefd ‘goedenmiddag’ kwiek de bus uit te stappen. Geboren in 1926, dan was hij nu...85! Dat hadden we hem niet gegeven! Hooguit 79. En dat dus allemaal in een en dezelfde bus.

Ubud

Woensdag 12 oktober

Ubud is even wennen. Ten eerste zitten alle hotels vol. Pas de zesde of zevende waar we ’s avonds laat aankloppen heeft nog één kamer vrij. (Maar wel een schitterende, een bungalow van twee verdiepingen in een tropische tuin.)

Vreemd, want het is laagseizoen en op Java was het half leeg overal. We krijgen te horen dat het komt omdat er een festival gaande is in Ubud, het International Ubud Writers and Readers Festival. Komt iedereen daar op af? Eerlijk gezegd hebben we niet de indruk dat wat wij zoal aan homo touristicus op straat zien rondlopen van die fanatieke lezers zijn, laat staan schrijvers. En dat is het tweede waar we aan moeten wennen: erg toeristisch, Ubud. Veel luchtig geklede buitenlanders die door een decor lopen van galerieën, souvenirwinkels, moderne restaurants en loungecafé’s, over sierlijk geplaveide stroepen en straten. Het lijkt zo’n stadje zonder ‘gewone’ mensen, waar iedereen een taxi heeft of een shop, of beide, en jou alleen maar ziet als iemand met een portemonnaie die ontzettend dringend verlegen zit om een stuk houtsnijwerk of een stenen Boeddha. (Hoe nemen mensen zulke dingen mee naar huis?). We hebben de aandrang weg te vluchten, maar we zijn moe en blijven. En gelukkig maar, want er is meer aan Ubud than meets the eye.

Gili Meno

Zondag 16 oktober

Vlak voor de noordkust van Lombok liggen de Gili-eilanden, drie tropische zandkorrels in het azuur van de Indische Oceaan. Gili Meno is de middelste. Het is het kleinste en rustigste en je komt er door vanaf een andere Gili, Gili Trawangan, een vissersbootje te charteren.

Daarbij zijn we trawangineus opgelicht. Na onderhandelen hadden we een prijs bepaald van € 25. Rondvragen leerde ons dat dat ook écht de prijs is voor een boot. Maar we vonden het nog steeds veel geld (het is namelijk maar 20 minuten varen), dus we aarzelden of we dan misschien toch een paar uur zouden wachten, want twee keer per dag gaat er een ‘public boat’ en ja, die kost misschien € 2. Toen de verkoper dat merkte stelde hij voor te kijken of hij anderen kon vinden die óók naar Meno gingen, dan konden we die € 25 delen. Prima. Hij bleef een tijdje weg, kwam terug, nee, niemand gevonden. We geloofden hem, want het is laagseizoen en betaalden hem dus die € 25. En je raadt het al. Toen we bij de boot kwamen, zaten daarin natuurlijk al twee andere toeristen te wachten. Nou ja, weer wat geleerd. Niet betalen vóórdat je in de boot wordt genomen.

Gurung Rinjani

Maandag 17 oktober
Multatuli noemde Indonesië ‘gordel van smaragd’. ‘Gordel van vuur’ had ook gekund, want in feite bestaat Indonesië uit een lint van vulkanische eilanden. Geen wonder dat het land zo vruchtbaar is met al die vulkanische grond.

Maar overvloedig zon en overvloedig regen helpen natuurlijk ook. Ze oogsten 3x per jaar hier. Rijst wordt het meest verbouwd en je treft de rijstvelden in ieder denkbaar stadium aan: als hoog opgeschoten grasachtige groene planten, als kleine sprietjes in het water, als enkel een waterplas of als een kleiïge akker waar de boer een gemotoriseerde handploeg als een grasmaaier doorheen duwt. Alleen velden kant en klare nasi goreng ontbreken...


Lombok

Donderdag 20 oktober
Bandar Gudara Internasional Airport, woensdagochtend. Alle mooie praatjes over pittoresk lokaal vervoer ten spijt gaan we toch echt vliegen naar Sulawesi (voorheen Celebes). De veerboot doet er namelijk een paar dagen (!) over: dat is een soort postboot die ieder eilandje onderweg aandoet, en Indonesië telt verrekte veel eilandjes. 

Verder heeft deze boot de reputatie wel eens te willen zinken. Overigens duurt vliegen naar Sulawesi ook nog zo’n drie tot vier uur, zo groot is Indonesië.
Lombok heeft een nieuw internationaal vliegveld, pas drie weken geleden geopend. Gisteren en vandaag was de president op bezoek (die Yudhoyono dus), te merken aan alle politie en leger langs de weg en geblindeerde wagens met escort die soms passeren...en ook aan de danseressen en gamelan-artiesten met trommels en xylofoons op hun schouder die net het vliegveld verlieten, kennelijk na een welkomstconcert.

Sulawesi

Dinsdag 25 oktober 2011


Ooit gehoord van de Wallace-lijn? Dat is een denkbeeldige lijn die Indonesië in tweeën deelt: aan de ene kant vind je Aziatische fauna, aan de andere kant de fauna van Oceanië (Australië). Dieren aan de ene kant vind je niet of nauwelijks aan de andere kant, en omgekeerd.

Sulawesi zit precies in het midden. Het heeft kenmerken van beide biosferen, maar tegelijkertijd leven er ook dieren en planten die nergens anders ter wereld voorkomen, waardoor het qua natuur totaal uniek is.  Degene die deze scheidslijn ontdekte, je raadt het al, was de Engelsman Alfred Russel Wallace.

Bunaken

Woensdag 26 oktober
We zijn aanbeland bij onze laatste halte: Tongkeina. Weer een klein dorpje aan zee en toegangspoort tot Bunaken National Park, een van de mooiste duikgebieden ter wereld, zo wordt gezegd. Hier vind je allemaal koraalmuren die –vlak voor de kust ineens steil naar beneden lopen, honderden meters diep.

Inmiddels hebben we er zes duiken opzitten. Het is inderdaad prachtig, alleen jammer dat het weer niet helemaal meewerkt: veel bewolking en af en toe pittige regen- en onweersbuien. Je kunt merken dat het regenseizoen nadert. Daardoor is het zicht onder water minder ver dan op een mooie zonnige dag. Maargoed, met 15 tot 20 meter mag je nog steeds niet klagen.

Duiklocaties rond Bunaken

Fietsen naar Berlijn 2011

Fietsen naar Berlijn, leuk! 
Vijf jaar na Rome hadden we zin weer eens een stukje te fietsen en te klooien in een tentje. We hadden een weekje over en op zoek naar een interessant doel kwamen we uit op Berlijn. 
Het vertrek verliep echter moeizaam: we zouden de eerste week van augustus gaan, maar IVF-perikelen dwongen ons een week later te gaan. De weersvoorspelling voor die week later bleek echter zó dramatisch dat we tot op het laatst twijfelden of we wel zouden vertrekken. Op donderdagochtend dachten we, okee, laten we het er op wagen morgen. 
Tot 's middags het bericht kwam dat Christel’s opa in kritieke toestand was opgenomen en we 's avonds ineens in het ziekenhuis zaten. Een dag bleven we in de buurt, in afwachting van nader nieuws. Toen de situatie stabiel leek, dat wil zeggen stabiel-zorgwekkend maar niet levensbedreigend meer, vertrokken we zaterdag alsnog, in de wetenschap dat het ‘maar’ Duitsland was en we in een paar uur terug konden zijn. Met de trein, dan...

Enschede - Dorenther klippen

Zaterdag 6 augustus
Dag 1, 72 kilometer
Omdat we niet zo veel tijd hebben besluiten we de eerste 150 kilometer in Nederland over te slaan en de trein naar Enschede te nemen, om vandaar te starten. Rond een uur of één zitten we op de fiets. Via Glanerbrug rijden we Duitsland binnen.
 

Dorenther klippen - Herford

Zondag 7 augustus
Dag 2,  91 kilometer

Er gaat een lange-afstand-fietsroute van Arnhem naar Berlijn, met boekje en bordjes en zo, maar die loopt teveel zuidelijk naar onze zin en zou daardoor teveel tijd kosten, vandaar dat we eigenwijs onze eigen, rechtstreekse route zoeken. 
Vandaag, na start, proberen we wat fietsbordjes te volgen van routes door het Teutoburger Wald en dat levert een hoop gezoek op en pittoresk geploeter over glibberige bospaadjes. Na tien kilometer geloven we dat wel en kiezen voor asfalt. Vervolgens krijgen onze ongetrainde benen wat klimmetjes voor de kiezen, waardoor we tegen lunchtijd, half twee, nog maar 32 kilometer verder zijn en behoorlijk opgebrand.


Herford - Bodenwerder

Maandag 8 augustus
Dag 3, 89 kilometer

Grijze lucht vandaag bij opstaan en ook wat druppels. In het douchehok word ik aangesproken door een Nederlander, hij blijkt bij een van de caravans te horen en int namens de kanovereniging het stageld. 
Een klein klimmetje brengt ons uit Herford en dan koersen we richting Hameln, maar met een grote boog noordwaards, langs de Weser, om de heuvels te vermijden. Een paar keer moeten we schuilen voor korte, hevige regenbuien. ’s Middags klaart het ietsje op. Het blijft echter de hele tijd jas aan-jas uit-jas aan-jas uit en daar worden we een beetje simpel van.

Bodenwerder - Langensheim

Dinsdag 9 augustus
Dag 4, 88 kilometer

Verder vandaag, weer onder een grijze hemel waar opnieuw buien uit vallen. We koersen op de Harz aan.
 Na wat kilometers golvende plattelandsweg om warm te worden krijgen we tussen Eschershausen en Alfeld de eerste serieuze beklimming (én afdaling) voor onze kiezen: een kilometer of vijf met 8% omhoog. Het is echter goed te doen. Later, in Berlijn, kunnen we constateren dat dit meteen de zwaarste klim van de hele tocht is geweest, op één na. Maar daarover straks.

Langensheim - Wolmirsleben

Woensdag 10 augustus
Dag 5, 107 kilometer

Veel regen ’s nachts, maar ’s ochtends is het droog en zien we een hemel vol dikke, witte wolken met een vermoeden van blauw daarachter. Vol goede moed stappen we op.

We hebben een flinke rit voor de boeg, want we hebben een ‘campingprobleem’: er zijn erg weinig campings op onze route. Iedere ochtend, als ik koffie drink (echte koffie, gezet met een filtertje) en Christel het onvermijdelijke nog even uitstelt, bestudeer ik nauwgezet de kaart, op zoek naar de verlossende rode driehoekjes die er nauwelijks zijn. Natuurlijk kunnen we in noodgevallen altijd een pension induiken, maar om een of andere reden staat ons dat tegen. En dus weten we dat we vandaag minstens 100 kilometer zullen moeten fietsen.


Wolmirsleben - Rädigke

Donderdag 11 augustus
Dag 6, 113 kilometer

Hetzelfde verhaal als gisteren: met de wind in de rug flink in de beugels, om de volgende camping te halen. Enige complicatie is dat m’n ene landkaart ophoudt en de andere pas 30 kilometer verder weer begint. Onbegrijpelijk dat dit me overkomt, want ik heb toch zorgvuldig kaarten uitgezocht in de beste kaartenwinkel die ik ken, Pied A Terre aan de Overtoom in Amsterdam. En de zon zit achter de wolken, m’n kompas is niet gecallibreerd, kortom het moet op gevoel. Dat laat ons echter niet in de steek, want zonder veel omwegen bereiken we kaart nummer twee.


Rädigke - Berlijn

Vrijdag 12 augustus
Dag 7, 106 kilometer


Vroeg op vandaag. Lichte opwinding bij het inpakken: vandaag rijden we Berlijn in! Half negen zitten we op de fiets, zonder ontbijt, want de camping had geen frische brötchen
In Niemegk, een half uurtje verderop, slaan we in bij een bakker en we ontbijten aan de rand van het bos, in de zon, met brood en een Quarki. We koersen nu noordwaarts. Wind is er nauwelijks meer en het fietst prima. Alle wegen zijn uitstekend, kennelijk is er een inhaalslag geweest de laatste jaren, na de Wende. Ook treffen we nauwelijks meer verwaarloosde huizen of straten zoals in de (voormalige) grensstreek. Opvallend is dat ieder dorp, hoe klein ook, z’n eigen kazerne van de freiwillige Feuerwehr blijkt te hebben; dat lijkt goed geregeld, maar Christel, onze meefietsende brandweerexpert, zet toch vraagtekens bij de professionaliteit en training van zoveel vrijwilligers.




Berlijn

Zaterdag 13 augustus 2011
Voor het eerst worden we wakker met een zonnetje. De nacht is rustig verlopen, niks dronken gefeest van losgeslagen jongeren, alleen een enkele snurker in de tent naast ons - dat is trouwens een opvallende tent, niet een van de vele standaard koepeltje of Qechua-wegwerptentjes, maar een heuse tipi, de snurker zal dan wel een een verkouden indiaan zijn... 

Er is een klein barretje bovenop de tribunes naast het zwembad. Twee jonge meisjes verkopen verse broodjes, koffie en vruchtensap, en we ontbijten er terwijl we naar de loungemuziek luisteren. In het zachte ochtendlicht ziet de omgeving er vriendelijk uit en al met al moeten we ons vooroordeel bijstellen en toegeven dat het helemaal geen slechte plek is hier. Toch hebben we al besloten een hotel te gaan zoeken, dus pakken we voor de laatste keer de tent in en vertrekken.


Mei 2011

Op de fiets, naar vakantiepark La Boverie in Rendeux.



Een bijzondere constructie ditmaal. De dames -Christel met m'n nichtjes Rafaella en Pharrèl, plus Katelijne met Charlotte en Olivier- gingen met de auto alvast vooruit, en ik zou hen op de fiets volgen. Op Koninginnedag, zaterdag 30 april, zwaaide ik hen dus uit in Utrecht en stapte meteen daarna ter fiets.


Odenwald

 1 - 5 april 2011

Het leek me leuk Christel voor haar verjaardag te verrassen met een weekendje weg. Zo kwamen we terecht in het Odenwald.

Onze vader

Verhaal, ingestuurd naar verhalenwedstrijd 'Verzwegen verhalen: een andere vader of moeder', maar om een of andere rare reden niet gewonnen.

Januari 2011

Ik beroep mij op m’n zwijgrecht. Ik ga jullie niet vertellen wat ik weet of waarom ik het heb gedaan. Het interesseert jullie niet. Voor jullie ben ik toch schuldig, een moordenares, het Huntington-monster zoals de kranten zeggen. Ik heb mijn kinderen vermoord, nu moet ik op de stoel. Maar het kan me niet schelen. Verlos me van deze wereld, van dit wrede bestaan dat enkel uit lijden en onechtvaardigheid bestaat. Ik weet dat mij iets beters wacht hierna. Een nieuwe wereld, een goede wereld waarin ik Josh en Jacob zal terugzien en we samen heerlijk kunnen rennen en stoeien en Hem een schop onder Z’n valse reet kunnen geven.

Alleen de gedachte aan m’n meisjes maakt me verdrietig. Sarah, Ruth, kleine Abbie. Hun lot is onzeker en dat is triest. Ik zag hun gezichtjes aan de andere kant van het glas, wit van de spanning. Ze verlangden naar me, ik kon het zien, en tegelijkertijd waren ze bang. Bang voor hun eigen monstermama. Ik weet dat Richard ze ophitst. Richard is…oudtestamentisch. Woest als een aartsvader. Z’n ogen spuwden vuur die ene keer dat ik hem nog heb gezien. Als ze het hem vragen, zal hij geen moeite hebben eigenhandig de schakelaar om te zetten. En het ergste is, ik begrijp hem ook nog.


Thailand 2010

Twee weken in Thailand doorgebracht. Het was bedoeld als korte tussenstop richting Laos, want we hadden het eigenlijk niet zo op Thailand: het land lijkt een cliché van fout toerisme met z'n sex, drugs en back packers rock 'n roll. Maar tot onze verrassing vonden we het een heerlijk land en daarom willen we er zeker nog eens naar terug, maar dan een ietsiepietsie langer.



Bangkok

Catastrofes treden zelden in hun eentje op. Het liefst overvallen ze je in groepsverband. Ze trommelen elkaar op en kondigen elkaar aan: de ene ramp is jobsbode namens de andere.
Aldus de fraaie opening van A.F.Th. Van der Heijdens ’Vallende ouders’.

Het was een catastrofe die ons in Bangkok bracht. Geen toeval: het leven van Christel draait om rampen, ‘crisisbeheersing en rampenbestrijding’ luidt officieel de naam van haar vakgebied. Ze werkt in Zaandam en de ergste ramp die ze daar heeft meegemaakt, toevallig ook de eerste, is het afbranden van een cacaofabriek.  Geen lolletje natuurlijk, maar gemeten op wereldschaal –aardbevingen, ontploffende kerncentrales, vliegtuigcrashes– kan het erger.

Neem bijvoorbeeld een tsunami. Dat was nog eens een ramp, 230.00 dodelijke slachtoffers. Reden waarom de internationale rampenbestrijders van deze wereld,  lees de Verenigde Naties, zich zijn gaan toeleggen op het onwikkelen van een Tsunami Warning System: een combinatie van boeien met sensoren, training en voorlichting, evacuatieplannen die de volgende grote golf te snel af moeten zijn. Als die komt. Een axioma uit het rampgebeuren, zo heb ik van Christel geleerd, is dat je je altijd voorbereidt op de vorige ramp.


Chiang Rai

We namen afscheid van elkaar. Gerda keerde terug naar Nederland en wij reisden door naar Laos, via een plaats die Chiang Rai heette. Dat was een tip van Lieke.

Ze had nog een heleboel andere tips voor ons, hielp ons met hotel en vliegtuig enzovoorts, dat was ontzettend prettig voor ons. Maar haar basistip, namelijk dat Thailand veel interessanter was dan Laos, legden we eigenwijs naast ons neer.

Chiang Rai ligt helemaal in het noorden van Thailand. We vlogen er in anderhalf uur naartoe. Het ligt in de zogeheten ‘gouden driehoek’ ofwel het grensgebied van Thailand, Birma en Laos, berucht om z’n productie van opium (voor heroïne bijvoorbeeld). Ons hotel heette dan ook Golden Triangle Inn. Het is een bescheiden plaatsje, niet te verwarren met Chiang Mai dat meer naar het westen ligt en een bekend toeristenoord is, waar je jungletochten kunt maken en op een olifant zitten, van die dingen. Niet dat dat in Chiang Rai niet kan, het is alleen veel kleiner van opzet allemaal. Dan bedoel ik niet de olifanten.




Laos 2010

In november en december 2010 een dikke maand rondgereisd in Thailand en Laos. Eigenlijk was Laos het doel, maar je krijgt Thailand er automatisch bij, want alleen vanuit Thailand kun je naar Laos toe (of je moet je wagen aan China of Birma). De grens tussen beide landen is 1754 kilometer lang en wordt vrijwel geheel gevormd door één rivier, de Mekong, die slechts twee bruggen telt...dat is dus gemiddeld één brug per 877 kilometer! Wij zijn Laos in het noorden binnengekomen en vervolgens per boot en bus zo'n duizend kilometer naar het zuiden gereisd, bijna tot de Cambodjaanse grens, alvorens we terugkeerden naar Thailand en een tropisch eiland in de Indische Oceaan, om te duiken.

Slowboat

Na een verblijf in Bangkok zijn we naar het noorden van Thailand gevlogen en daar de grens, dus de Mekong overgestoken met een bootje. Zo kwamen we in Laos, in het plaatsje Houaxang waar niet veel te beleven viel, behalve dat er de zogeheten ‘slowboats’ vertrokken, lange platte schuiten waarmee Laotianen van oudsher over de Mekong varen. 

Tot voor kort was Laos een land zonder infrastructuur: je had alleen de Mekong als een manier om enigszins gemakkelijk van A naar B te komen. Nog steeds heeft Laos weinig wegen, en geen enkele spoorlijn. Het zal komen door de weerbarstige natuur, veel jungle en bergen, door de armoede en deels wellicht ook door het ontbreken van een Westers ambitiekader. Bij oude en nieuwe kolonisatiemachten als Frankrijk en Verenigde Staten lees je steeds dezelfde verzuchting: ze zijn heel aardig en vriendelijk, de Laotianen, maar niet vooruit te branden!

Maar dat toch ook dit kalme, afgelegen hoekje aarde inmiddels flink globaliseert ontdekten wij al op dag één in Houaxang: we stuitten namelijk op een pinautomaat! Volgens onze reisgids van drie jaar geleden waren die er nog niet in Laos. En zo bleken er de afgelopen jaren wel meer nieuwe dingen in Laos te zijn gearriveerd. Toeristen, met name.



Louang Prabang

Louang Prabang is de mooiste stad van Laos. Het is de oude hoofdstad van Laos (inmiddels is dat Vientiane) en de naam betekent 'groot heilig beeld', waarmee gedoeld wordt op de Pha Bang, een gouden Boeddhabeeldje dat geldt als het belangrijkste religieuze symbool van het land en tentoongesteld is in het voormalige koninklijk paleis. Er wonen ruim 100.000 mensen en het is een oase van rust, zelfs het centrum.

Kalme, lommerrijke straatjes naast de Mekong met nauwelijks verkeer. En tempels, heel veel tempels.

Laos hoort tot het zogenaamde Theravada of zuidelijke Boeddhisme, dat zich vanuit de geboorteplaats van het Boeddhisme (Noord-India) in zuidelijke richting heeft verplaatst naar Thailand en Laos, dit in tegenstelling tot het Mahayana (noordelijke) Boedhhisme dat naar Tibet, China en Japan is gegaan. De zuidelijke stroming zou orthodoxer zijn, strenger in de leer, maar de finesses ontgaan je als buitenstaander. Meest opvallende verschil is dat de monniken hier oranje zijn gekleed, niet rood. Verder zien de tempels in Laos er anders uit, sierlijker en meer versierd, en zijn ze iets anders ingericht. En ze heten Wat.



Vientiane

We gaan naar Vientiane, zo’n 350 kilometer ten zuiden van Louang Prabang. Dat betekent een volle dag reizen, met de bus, langs de enige noord-zuid-verbinding van Laos, Route 13. Een heftige rit, met veel bergen en haarspeldbochten, en hier en daar wrakken van vrachtwagens in het ravijn.

In het donker komen we aan. Ook in de bus zat medelander Gert met zijn Thaise bruid. Hij weet een geschikt hotelletje en we delen een taxi er naartoe. Daarna stelt hij voor samen uit eten te gaan, een uitnodiging waar we even over twijfelen, want we hebben zo onze (voor)oordelen over oude blanke mannen en jonge Thaise vrouwen en die geven we niet zomaar prijs natuurlijk. Maar we doen het toch, gelukkig, en beleven een buitengewone avond. Daarover later meer.




Champasak

Reisdagen zijn altijd spannend. In de zin van: opwindend, omdat je weet dat er iets nieuws en onbekends komt en je nieuwe vergezichten zult zien. Maar ook in de zin van: onzeker, omdat...er iets nieuws en onbekends komt.

Je kunt niet overzien waar je terecht zult komen. Over het algemeen speelt de opwinding in het begin van de reis een rol en de onzekerheid pas helemaal aan het eind. Daartussen, ja daartussen zit de eigenlijke reis: een lange periode van...niets. Wachten. Op mij heeft dat een kalmerend effect, ik word altijd heel rustig van reizen, ongeacht of het nou in een saai vliegtuig zonder uitzicht is of in een Afrikaanse bus vol kakelende kippen en lokalen. Met dank aan Primatour, ook. Deze pillen tegen reisziekte slik ik altijd voorafgaand aan boot- en busreizen. Jarenlang heb ik me afgevraagd waarom ik, eenmaal onderweg, al na vijf minuten overvallen werd door een onbedwingbare behoefte tot slapen. Tot ik een keer de bijsluiter van Primatour laszzzz. Hoe dan ook, reisdagen zijn dus prettige, ontspannen dagen met een geheel eigen dynamiek.

Ubon Ratchathani

Geluk zit -net als ongeluk- in een klein hoekje. Onverwacht springt het naar voren. Ook hoogtepunten van reizen kunnen onvoorspelbaar zijn: vaak zijn het toevallige ontmoetingen, plekken waar je komt als je fout loopt, zaken die anders gaan dan je had gepland.

Zo bewaar ik een warme herinnering aan Ubon Ratchathani, een provincieplaats waar weinig te beleven valt en eigenlijk niemand komt, maar waar wij een middagje moesten doorbrengen omdat we er ’s ochtends per bus aankwamen en ons vliegtuig pas ’s avonds laat vertrok. Het grappige is dat het vliegveld(je) zich midden in de stad bevindt. Nadat we ’s ochtends onze bagage in bewaring hadden gegeven en een taxi naar het centrum hadden genomen, bleek dit zo dichtbij dat we ’s avonds gewoon zijn teruggelopen.




Koh Lipe

Gezocht: tropisch eiland… Helaas is Laos ‘landlocked’, zoals de Engelsen zo mooi zeggen, dus moeten we uitwijken naar Thailand. Na flink wat surf- en vliegwerk in Laotiaanse cyberspace valt onze keuze op Koh Lipe, een miniscuul paradijsje in de Indische Oceaan, helemaal in het zuiden van Thailand, zo’n beetje op de grens met Maleisië.

Het vereist dus nogal wat gereis om er te komen. Op een rijtje gezet, in anderhalve dag: een tuctuc, een bus, een taxi, een vliegtuig, een taxi, een hotelbusje, nog een vliegtuig, nog een taxi, een veerboot… En dan nog vijf minuten lopen op een knisperend wit tropisch strand.





Oktober 2010

Huisje in Lamorménil


Jouanique 2010

 7 – 13 augustus 2010

Voor de eerste keer op bezoek bij Peter en Liesbet in Frankrijk. We gingen samen met Jeroen en Josje en maakten op de heenweg een tussenstop in Parijs.

Mei 2010

Camping Tonny



Madrid

1 - 5 april 2010

Een stedentrip naar Spanje gaat negen van de tien keer naar Barcelona. Of in mijn geval, drie van de vier keer. Ik was al drie keer in Barcelona geweest voor ik m’n toeristische vizier richtte op die andere Iberische schietschijf, Madrid. 

Het valt ook wel te begrijpen, want Barcelona is hot en hip en leuk, terwijl Madrid...eh...Madrid...ja, wat kunnen we zeggen over Madrid? Het Prado staat er, een soort Rijksmuseum maar dan nòg groter. Maar verder? Kortom, hoog tijd om er eens een kijkje te nemen.


Tanzania 2009

Afrika stond nooit bovenaan ons verlanglijstje. Ten onrechte, want een reis naar Tanzania werd een onvergetelijke ervaring. Vanwege het fantastische landschap, de uitgestrekte savannes waar olifanten, giraffes en zebra’s doorheen wandelden, en trotse Masaï-herders in rode mantel met hun koeien en geiten. Vanwege de stadjes met hun lome straten, maar levendige markten waar het groente en fruit even kleurrijk was als de kleding van de verkoopsters. En vanwege de Tanzanianen en hun gulle, gemakkelijke lach en hun aanstekelijke taal, het Swahili. Jambo, klonk het overal uitnodigend. Een land om warm van te worden.



Naar Afrika

Oktober 2009

Afrika. Het moest er een keer van komen. Op een bepaalde manier ben ik altijd bang geweest voor dat continent.

Te veel, te vaak slecht nieuws gehoord: honger, droogte, dictators, geweld, chaos. In mijn jeugd las ik in Readers Digest een verhaal over Idi Amin, ‘de slachter van Oeganda’, en die gruwelgeschiedenis heeft mijn beeld van Afrika fundamenteel bepaald. Dat mijn vader er jarenlang werkte maakte voor mij geen verschil. Weliswaar kwam hij thuis met stapels Afrikaanse muziek, maar ook met verhalen over staatsgrepen, lijken in de haven, autobandexecuties. Wat een zootje, dat Afrika. Levensgevaarlijk. Uit de buurt blijven.

Dar es Salaam

5 - 7 oktober 2009

Het is ongeveer tien uur vliegen naar Tanzania. Het mooie aan Afrika is dat het pal onder Europa ligt. Geen gedonder met tijdzones dus, je hebt hooguit een uurtje tijdverschil en dat kan ik aan, jetlagstakker die ik ben.

Om half tien ’s avonds landden we op Julius Nyerere International Airport in Dar Es Salaam, alwaar een mannetje voor ons klaar stond. Dat had Flash Safaris mooi voor ons geregeld. Dachten we. Maar mooi niet. Er stonden wel een paar mannetjes die blij een bordje omhoog staken, maar niet met onze naam erop. Kennelijk had Flash alleen een hotel geboekt en geen pick-up. Het was nog een geluk dat we ons de naam van het hotel herinnerden dat een keer in een mailtje was genoemd. Dus namen we zelf maar een taxi en maakten meteen kennis met de Tanzaniaanse munteenheid, de Tanzanian Shilling ofwel Tsh, met de Monopolykoers van 2000 stuks voor 1 euro. Aldus arriveerden we in Palm Beach Hotel, dat overigens niet aan het strand lag, maar aan een vierbaansweg. Palmen stonden er wel.

Tarangire

7 - 9 oktober 2009

Het woord ‘safari’ stamt van het Arabische woord ‘safara’ dat ‘reizen’ betekent. Het is een van de vele voorbeelden van de invloed van het Arabisch op het Swahili, net zoals je ook veel voorbeelden hebt van Engelse en Duitse invloed op het Swahili. Wat dat betreft is Swahili een bonte taal vol leenwoorden, vaak met een komisch effect.

Mbenzi bijvoorbeeld betekent ‘een rijk persoon’ en is een verbastering van Mercedes Benz, want daarin rijden rijke mensen. Een keep lefti is een rotonde, een baisikeli een fiets. Het Swahili wordt door zo’n 50 miljoen mensen in Oost-Afrika gesproken,  hoofdzakelijk in Kenia, Tanzania en Oeganda. Het is een vrij eenvoudige taal, zonder grammaticale rariteiten. Wel bestaat er een ingewikkeld begroetingsritueel. Je groet iemand door jambo te zeggen, ‘hallo’. De ander zegt dan mambo, hoe gaat het. Dan zegt jij weer poa. De ander vipi. Etcetera, zowat tot in het oneindige. Christel kwam na een paar weken een heel eind met dit gepingpong, tot groot vermaak van de Afrikanen.


Manyara

9 - 10 oktober 2009 

De volgende dag verlaten we Tarangire en rijden –via toeristenfuik Mto wa Mbu, ofwel ‘Mosquito Creek’–  naar een nabijgelegen reservaat, Lake Manyara National Park. Dit is een klein park, eigenlijk een soort groenstrook tussen een uitgestrekt meer en een heuvelrug, de Great Rift. Die Great Rift is natuurlijk wereldberoemd.

Het is de benaming voor een langgerekt stelsel van valleien dat loopt van Syrië dwars door Oost-Afrika tot in Mozambique, eigenlijk een soort trog van ruim 6000 kilometer lang. Met een ‘rift’ wordt een gebied aangeduid waar de aardkorst uitelkaar beweegt, zodat er een dal ontstaat (slenk) en heuvels (horst). Vaak vind je er meren en vulkanen, zoals in Tanzania inderdaad het geval is. De Great Rift Valley is vooral zo bekend geworden vanwege de vele antropologische vondsten van aapmensen en ‘eerste’ mensen zoals in Laetoli en Oldupai.  Onze campsite is achteraan in het park, een beetje tegen de helling op. Dit keer een beschut plekje, onder de bomen. De wetenschap dat we ons in de Great Rift Valley bevinden, letterlijk in de voetsporen van onze voorouders van miljoenen jaren geleden, geeft het een extra dimensie. Hier hebben ze rondgelopen, in dit landschap. Heel bijzonder.




Serengeti

9 - 12 oktober 2009

Na twee kleinere parken is het de beurt om het grootste en beroemdste ‘wildpark’ van Tanzania te bezoeken. Wildpark tussen aanhalingstekens, want het betreft een gebied bijna zo groot als Nederland en er staat echt geen hek omheen. We hebben het over de Serengeti.

De Serengeti ligt op de grens van Tanzania en Kenia en bestaat grotendeels uit open savanne, zoals de naam (‘eindeloze vlakte’) al aangeeft. Het is eigenlijk één enorm weidegebied en er leven dan ook naar schatting 1,5 miljoen grazers, hoofdzakelijk gnoes (1 miljoen), maar ook zo’n 300.000 gazelles en 200.000 zebra’s. Deze dieren vormen gigantische kuddes die ieder jaar met de klok mee migreren over de Serengeti. In juni (wanneer het droge seizoen begint) vertrekken ze naar het noorden, op zoek naar de grazige weiden in Kenia, waarna ze zo rond november-december (na het droge seizoen) weer terugkeren naar het zuiden. Het is de grootste migratiebeweging ter wereld en het moet een spectaculair gezicht zijn, die onafzienbare hordes hoefachtigen, soms wel 40 kilometer lang, galopperend over de vlakte en belaagd door leeuwen, jachtluipaarden en krokodillen die hun lunch op een presenteerblad voorbij zien komen. Maar wij gaan het niet meemaken. Het is nu begin oktober, de kuddes bevinden zich in het noorden, wij in het zuiden. Maakt niet uit. De Serengeti is bijzonder genoeg.




  

Ngorongoro

12 - 14 oktober 2009

Van het ene natuurmonument naar het andere. Van Serengeti naar Ngorongoro. Maar eerst uren terugrijden door de ‘eindeloze vlakte’ en het omliggende Masaï-land.

We passeren weer de kleine jongetjes die hun magere koeien hoeden. Een paar staan te bedelen langs de weg en Freddy werpt ze flesjes water toe. De hele dag met die beesten op stap, van ’s ochtends tot ’s avonds, in de brandende zon, zonder water... Je kunt het je niet voorstellen. Het is zo’n moment waarop je je weer eens vadsig rijk en decadent voelt, bevoorrecht door het lot zonder dat je er iets voor gedaan hebt, anders dan geboren worden in Nederland.


Toerist met Masaï-mannen

Toerist met Masaï-vrouwen

Olmoti en Empakai

14 - 17 oktober 2009

Ngorongoro is niet de enige ouwe vulkaan in het Ngorongoro Conservation Area. Er zijn er nog twee, Olmoti en Empakai, en die gaan we bezoeken via een ‘walking safari’...gewoon wandelen dus. Eerst rijden we terug naar de centrale poort van Ngorongoro om Josepha af te zetten en een nieuwe ranger op te pikken die ons moet beschermen tegen de wildlife.

Eddy is zijn naam, een rustige jonge vent met veel kennis van het gebied. Hij spreekt ook Masaï en dat komt van pas, want we begeven ons nu in hardcore Masaï-land. Met hem erbij rijden we zo’n anderhalf uur het park in, naar Nainokanoka, een klein plaatsje aan de voet van de Olmoti. Nainokanoka betekent ‘mistige plaats’. Ons kamp wordt opgezet aan de rand van het dorp, onder toeziend oog van een aantal Masaï-krijgers, die zwart en zwijgend onder de bomen staan met hun speren. Terwijl de jongens daarmee zoet zijn, maken wij met Eddy een wandeling door het dorpje. Een keer per maand is hier een grote Masaï-markt, maar nu gebeurt er weinig in de brede stoffige straten. Totdat...Christel de ballonnetjes tevoorschijn haalt. In no time komen overal blije kindertjes vandaan en is het een gekrakeel van jewelste waar zelfs de flegmatieke Eddy om moet lachen.