Naar Holten

Woensdag 14 mei

Wegens allerlei familieverplichtingen weinig tijd deze week. Je baan kun je opzeggen, maar je familie, tja… Nog net gelegenheid voor één dagetappe, op woensdag, de dag dat het aller slechtste weer van de hele week wordt voorspeld, regen en onweer en een harde zuidwestenwind.  

De enige reden dat ik niet afzeg is om de schijn van mooiweerloper te vermijden. En de andere enige reden is dat meeloper Marcel alléén vandaag kan, en anders pas medio 2008 weer een gaatje in z’n agenda heeft. Dinsdagavond zitten we allebei bij de telefoon te wachten tot de ander goddank afbelt. Maar het blijft hardnekkig stil. Dus stappen we woensdagochtend met z’n tweetjes gezellig in de trein naar het oosten.

Een conducteur verzekert ons dat de route vandaag een prachtige tocht is. Hetzelfde horen we van de uitbater van de ‘stationsrestauratie’ in Nijverdal, die even bij ons komt zitten in de koffiehoek die hij met vier stoelen en een tafel bij elkaar geïmproviseerd heeft. De bus zet ons af bij Avonturenpark Hellendoorn. Met een paar passen zijn we in het bos van de Sallandse Heuvelrug en dat verlaten we pas 15 kilometer verderop, in Holten, het eindpunt van de etappe. In het bos gaan de jassen open. Geen last van wind of regen, het is lekker weer. Marcel concentreert zich op de route, zodat hij een beetje kan trainen voor z’n eigen Pieterpad binnenkort. Ik loop er –zonder zware rugzak ditmaal-  relaxed achteraan.



Naar Vorden

Dinsdag 30 mei

Na al het gefeest van vorige week gaan we er weer tegenaan vandaag. 'We', dat zijn m'n nichtje Melanie en ondergetekende.

Melanie volgt een toeristische opleiding en moest vrij vragen van school. Toen ze zei dat ze met haar neef wilde meelopen was het antwoord 'nee'; toen ze uitlegde dat het een boeiend stagetraject betrof als onderdeel van een uniek toeristisch wandelproject dat haar kennis van het Geldersch landschap enorm zou verdiepen, in het bijzonder de historie van laat 18-eeuwse buitenhuizen, nou vooruit, toen mocht ze een dagje weg. Op haar gymschoenen staat ze te wachten bij het stationnetje van Holten. Ik drink mezelf moed in met een kop koffie en daar gaan we. Door het boerenland zakken we af naar het zuiden. Na een uurtje komen we bij de Schipbeek, een kanaal tussen twee schitterende beukenlanen in. We steken over; aan de overkant steken we meteen weer over, want we hadden op dezelfde oever moeten blijven; twintig minuten later steken we nog een keer over, nu wel goed.



Naar Doetinchem

Vrijdag 2 juni

Nog een extra dagetappe deze week, om meters te maken. Van Vorden naar Doetinchem, 26 kilometer. Hatsiekadee! Alsof het niks is. 

Eerst even een kijkje nemen bij kasteel Vorden. Hier werd in 1983 het Pieterpad officieel 'geopend'. Er werd een lintje doorgeknipt, hierbij open ik...champagnekurken knalden, de glazen gingen rond, iemand gooide een fles uit het raam, de burgemeester van Vorden knoopte het lintje in z'n haar, hopsasa hopsasa, nog een fles uit het raam, jongens wie het verst kan! Toos en Bertje werden gejonast, Pieterpad Pieterpad Peterpa-had!!! Toos ging uit het raam, enfin. Het werd een gezellige boel die avond.


Kasteel Vorden. Pas op voor de hond...

Naar Groesbeek

Woensdag 7 juni 2006

Vandaag is Jeroen de meeloper. Jeroen had een sterke voorkeur voor de etappe van vandaag, Doetinchem - Hoog Elten. Ik heb me daar een tijdje het hoofd over gebroken, maar tenslotte wist ik het: Jeroen wilde graag weer eens een keertje naar het buitenland. En vandaag lopen we deels door Duitsland.  

Ach so. Hij verried zichzelf toen bleek dat hij z'n paspoort bij zich had. Aha, dus hij wist donders goed waar we heen gingen!

We gaan met de auto van Jeroen, dat is relaxed. Die zetten we neer bij het eindpunt en vandaar zullen we met openbaar vervoer naar het startpunt gaan. Dat betekent dat ik m'n rugzak in Jeroen's auto kan achterlaten. Dat is dubbel relaxed. Nu moeten we alleen nog van eindpunt naar startpunt zien te komen en dat blijkt minder relaxed. Het cruciale treintje van Emmerich naar Zevenaar is namelijk opgeheven. We hebben nu twee bussen nodig, plus nog een taxibusje volgepakt met mopperende oudjes die klagen over de telohrgang van het openbahr vervoer in de regio. Het is ook overal hetzelfde. De oudjes, bedoel ik.


Om half een kunnen we eindelijk op pad. Eerst volgt een rondje industrieterrein. ZE zullen wel de motor van ons land zijn, al die regionale industrieterreinen, maar tjongejonge wat zijn ze toch lelijk, met die voorspelbare straatnamen (Nijverheidsweg, Logistiekweg), prefab gebouwen en groots klinkende, maar nietszeggende bedrijfsnamen. Datacare. Intertransfer. Weet ù wat het is? (Maar ja, ooit was Microsoft ook niet meer dan zo'n lullig kantoortje...) Gelukkig doemt het Bergherbos snel op. Als een groene muur staat het aan de horizon.



Naar Oostrum

Woensdag 14 juni 2006

Daar gaan we dan weer, op weg naar Limburg, lekker kuieren. Deze week is Wim de meeloper. Wim is de man van de gadgets. 

Op fietsvakanties heeft hij me wel eens verrast met noviteiten uit de outdoorindustrie die hun praktische waarde nog moesten bewijzen - en dat onderweg niet altìjd deden. Ditmaal heeft hij een rugzakje aangeschaft met een achterwandje van hi tech gaas dat moet voorkomen dat je een natte rug krijgt. Ik moet er een beetje om gniffelen, is hij er wéér imgetuind, maar dat ik iets te voorbarig ben zal verderop nog wel blijken.

Vanuit Groesbeek stappen we het bos in. Na een uurtje volgt een open stuk met de eerste aspergevelden, toegedekt met plastik om de warmte vast te houden en de asperges sneller te laten rijpen. Verderop gaan we weer het bos in. Het begint te regenen, de poncho's gaan aan. We bevinden ons op de Sint Jansberg, zo'n 60 meter tot 80 meter hoog, en het pad hobbelt tussen de bomen door, langs een paar verstorven vennetjes. Er schijnen hier veel dassen te leven. Vandaag zitten ze waarschijnlijk allemaal te schuilen in hun burcht. Als we het bos verlaten, is het droog en warm geworden. Bij eethuis De Diepen drinken we koffie en eten we het pronkstuk van de vlaaiencollectie, de Christoffel. Sint Christoffel geldt als de beschermheilige van wandelaars. Sint Pantoffel was logischer geweest.



Naar Venlo

Dinsdag 20 juni 2006

Weer een nieuwe wandelweek. Vandaag alleen, morgen samen met een wegloper. Een wegloper is een meeloper die afzegt – maar dat wist ik toen nog niet.  

Vanuit Oostrum (Venray) moet ik een paar kilometer terug om weer op de route te komen, en vandaar voert het pad via de dorpen Wanssum en Meerlo naar Swolgen. Her en der hangen vlaggen uit met schooltassen eraan. Veel landwegen vandaag, een beetje bos, een stuk langs de bosrand. Weinig bijzonders. De beroemde heuvels van Limburg laten nog op zich wachten, het is hier behoorlijk plat zo langs de Maas. In feite volg je het oude stroomdal van die rivier.


Poortgebouw in Meerlo

Naar Roermond

Vrijdag 23 juni 2006

Een monsteretappe vandaag, Venlo-Roermond, 31 kilometer, de langste etappe van het Pieterpad. Dat betekent zo min mogelijk overtollige ballast mee – geen rugzak dus en geen meelopers.  

Temeer omdat ik last heb van eh, je weet wel, teveel drank enzo. De afstand van het fietsenrek naar het station, toch zeker een paar honderd meter, kost enorme inspanning. Ik weet het niet vandaag. De dood of de asperges wordt het. Of zoiets.


Aspergeveld

Naar Peij

Zondag 25 juni 2006

Er is slecht weer voorspeld in het zuiden: onweer en regen, heel veel regen, zoveel regen zelfs dat er gewaarschuwd wordt voor wateroverlast. In Utrecht schijnt echter de zon.  Dus wagen Christel en ik het erop en rijden naar Limburg, zonder de weglopers uit Lelystad die helaas hebben moeten afzeggen.


Munsterkerk in Roermond

Nederlander op top Pietersberg

--- Van onze correspondent---

Onze landgenoot A. F. heeft de Sint Pietersberg beklommen. Op donderdag 29 juni om kwart voor één ’s middags (plaatselijke tijd) bereikte hij de top, op 110 meter hoogte. Dat blijkt uit een sms'je aan z’n vriendin. 

Frieswijk, wiens expeditie wordt gesponsord door Compeed blarenpleisters, vertrok tien weken geleden uit het basiskamp in Pieterburen. Sindsdien legde hij ca. 500 kilometer af in 25 dagen. Meer nieuws in onze volgende bulletins.

Naar de Pietersberg

De laatste meters. Nog honderd… Nog vijftig… Nog tien… De dichte begroeiing langs het grindpad wijkt ietsje uiteen en maakt ruimte –bijna met tegenzin, lijkt het– voor een klein grasveldje waar een paar rotsblokken en een sobere Pieterpad-gedenkzuil de top van de Sint Pietersberg markeren. 

Dit is het. Het einde van het Pieterpad. Klinkt er tromgeroffel? Applaus? Het zachte vleugelgeruis van engelen die toezien op deze bijzondere prestatie? Ach nee. Hijgend en zwetend kom ik boven en een beloning is er niet, geen nektar en ambrozijn, zelf geen koud colaatje bij een snacktent. Ik schop m’n schoenen uit en plof neer in het gras en terwijl ik mijmerend voor me uit staar, vraag ik mijzelf af wat ik nou eigenlijk voel. Het is gemengd. Enerzijds trots, blijdschap, ontspanning; anderzijds onwennigheid en al een begin van weemoed dat het voorbij is. Het is een bekende sensatie. Na de ervaring komt altijd de herinnering, maar daartussen is er even een vacuum, een leegte, wanneer de ervaring zich terugtrekt en de herinnering nog moet arriveren. In dit emotionele niemandsland blijf ik een uurtje zitten. Tenslotte trek ik m’n schoenen aan en loop de berg weer af, op weg naar mooie herinneringen.


-------------------------------------------------------------------

Dinsdag 27 juni 2006

M’n tiende wandelweek is aangebroken, en m’n laatste – ik wil nu in één ruk doorlopen naar de Pietersberg. Vandaag loopt Ive mee. Ive heeft er zin in: hij heeft zich –een beetje tot z’n eigen verbazing–  een dagje kunnen losrukken van z’n eigen bedrijf en z’n personeel uitdrukkelijk geïnstrueerd géén klanten door te verbinden. Desondanks zet hij z’n mobiel maar uit. Z’n luisteren toch niet naar de baas.


Luxemburg

 31 maart – 2 april 2006

Met de voltallige familie Cools een weekendje naar Luxemburg - een bijzondere gelegenheid, om verschillende redenen.

Aanleiding was een spectaculaire hotelaanbieding die ik ergens tegenkwam. Ik besprak het met Christel, leuk om er een weekendje tussenuit te gaan, romantisch met z’n twee ... en wat er daarna gebeurde kan ik niet precies meer reconstrueren, maar voor we het wisten hadden we haar ouders uitgenodigd, haar zus met vriend, haar grootouders én haar neef met vriendin. Zó, met z’n tienen dus, belandden we in het Hiltonhotel in Luxemburg-Stad.

Noorwegen 2005

Een rondreis door Noorwegen gemaakt met het kleine familiecampertje. Heel veel gereden, helemaal naar de Noordkaap en toen via de Lofoten weer terug, zo’n tienduizend kilometer in iets meer dan drie weken. Plus nog een stuk gefietst...wel 25 kilometer! De natuur is de grote attractie van Noorwegen: het is een land waar de zon niet ondergaat, waar het landschap ruig en ijzingwekkend is, waar het water donderend van de bergen stort, waar zalmen uit rivieren springen en potvissen uit zee. Heel indrukwekkend allemaal, en een Walhalla  voor wildkampeerders als ons. Maar wat ons nog het meeste trof...waren gewoon een paar houten planken, in de vorm van een staafkerk.

Heenweg

Donderdag 16 juni 2005
Vakantie met de camper begint altijd in Wieuwerd. We arriveren er een dag eerder, zodat we tijd hebben om flink boodschappen te doen in Sneek en de camper tot de nok toe vol te stouwen. Want we gaan naar Noorwegen en zoals iedereen weet, Noorwegen is duur. Dus verdwijnen er tassen vol levensmiddelen en snoep onder de banken, plus een ferme collectie fris, wijn, rose en gedestilleerd. Éen fles wijn redt het niet: die wordt bij het inruimen per ongeluk kapot geslagen tegen de treeplank van de camper, waarmee het voertuig meteen maar gedoopt is. De weëe lucht blijft nog dagen hangen. Gelukkig heeft de Noorse douane geen alcoholhonden, anders waren we er gloeiend bij geweest met onze illegale drankimport.


De clutch kwijt

Maandag 20 juni 2005
En zo reden we welgemoed de poolcirkel binnen, precies op schema om op 21 juni, midzomernacht, aan te komen bij de Noordkaap. Narvik, Tromsø, Alta, Noordkaap...dat was de bedoeling. Maar zo zou het niet gaan. 

Noordkaap

Donderdag 23 juni 2005
Het is al laat als we wegrijden bij de garage, vier uur ’s middags. We hebben veel tijd verloren met geld halen, en daarna nog eens anderhalf uur met het repareren van de stekker van het fietsenrek die beschadigd was geraakt. Maar dan kunnen we eindelijk op pad!

Tromsø

Zaterdag 25 juni 2005

Magerøya, tunnel, Alta. Als we in omgekeerde volgorde terugrijden naar de beschaving begint het zonnetje ieletjes weer te schijnen. In Alta bezoeken we het Rock Drawing Museum.

The race for the pole

Roald Amundsen is bekend geworden als de eerste mens die de Zuidpool bereikte, in het jaar onzer heren 1911. Dat gebeurde in wat later ‘the race for the pole’ is gaan heten, een wedloop tussen de Noorse expeditie van Amundsen en een Engelse expeditie onder leiding van Robert F. Scott, een marine-officier die al eerder naar de Zuidpool was geweest en het terrein een beetje als zijn eigendom beschouwde. Het grappige was dat Amundsen helemaal niet van plan was naar de Zuidpool te gaan. Juist omdat al bekend was dat Scott met een nieuwe Zuidpoolexpeditie bezig was, bereidde Amundsen zich voor op de Noordpool, die ook nog 'onontdekt' was. Daartoe leende hij het schip Fram (=Vooruit) van zijn landgenoot Fridtjof Nansen, dat speciaal ontworpen was voor het pakijs van de Noordpool.


Lofoten

Dinsdag 28 juni 2005


Een van de dingen die we altijd al eens wilden doen: walvissen kijken. En dat moet in het echt, want je hebt ze niet in de dierentuin. Nou dachten wij altijd dat je daarvoor naar de andere kant van de wereld moest, naar bijvoorbeeld Canada of Australië, maar we ontdekten dat het ook in Noorwegen kan, onder andere in het plaatsje Andenes.

Lom

Donderdag 30 juni 2005

Halverwege de avond arriveert de veerboot in Bodø. Hier vergrijpen we ons aan een essentieel onderdeel van de Noorse keuken...friet met hamburger. 

Bergen

Maandag 4 juli 2005


Vandaag staan er twee bezienswaardigheden uit de natuurlijke collectie van Noorwegen op het programma: de Geirangerfjord en de Trollstigen. 


Naar Oslo

Woensdag 6 juli 2005

Zo zoetjesaan zijn we in zuidelijk Noorwegen beland. Dit is het volkrijkste deel van het land, de bulk van de 5 miljoen Noren woont hier. Het landschap is duidelijk anders. 

Nepal 2004

Onze reis naar Nepal in 2004 is zonder twijfel de mooiste reis die we hebben gemaakt. Sowieso is Nepal een adembenemend land, met de hoogste bergen ter wereld en de meest fantastische trekkings. Maar het was ook voor het eerst dat we op eigen houtje naar zo’n ‘ver’ en ‘raar’ land trokken en zoals iedereen weet maakt de eerste keer altijd de meeste indruk. Alles was nieuw voor ons: ‘de’ Aziatische cultuur, het gehannes met taxi’s en bussen, het feit dat je als Westerling in het middelpunt van de belangstelling staat, kinderen die je bespringen, ja zelfs onze eerste digitale camera die we bij ons hadden. In die periode woedde de maoïstische opstand in volle hevigheid (anno 2011 zitten ze in de regering) waardoor er nauwelijks toeristen naar Nepal kwamen en wij in ieder dorp, ieder hotel en ieder restaurant zo’n beetje de enige buitenlander waren. Inmiddels hebben we dat wel vaker meegemaakt, maar toen was dat ontzettend wennen. Nepal 2004 heeft ook een aantal contacten opgeleverd die blijvend zijn gebleven en tot warme vriendschap hebben geleid, zoals met Yadu en Karma. Vooral dáárdoor is het land al die jaren heel dicht bij ons gebleven.

Voorbereiding

Al vele jaren was Nepal in m’n gedachten. Begin jaren negentig begon ik, als leunstoeltoerist, veel te lezen over bergbeklimmen en andere extreme ondernemingen. Zo ook over de beklimming van de hoogste berg van de wereld, de Mount Everest.

Verslagen van expedities daar naartoe bestaan standaard uit drie delen. Een, er is de cultuurshock bij aankomst in Kathmandu, twee, er is de lange trekking door prachtige natuur naar Everest Base Camp, drie, er is de beklimming zelf. Op mij maakten ál die onderdelen evenveel indruk. Het leek mij een fascinerende andere wereld en ik bewonderde de avonturiers om hun, eh, avontuurlijkheid, terwijl ik daar bij de centrale verwarming zat met een kopje koffie. Dat ik zélf die kant op kon gaan kwam domweg niet bij me op.




Patan

We landden op Tribhuvan Airport in Kathmandu. Vliegvelden zijn een wereld op zich. Ze lijken niet bij het land zelf te horen, maar eerder bij een internationale organisatie die bestaat uit...vliegvelden.

Het is er rustig, schoon, georganiseerd. Het land zelf begint pas als je de douane passeert. In menig land barst, zodra je door de schuifdeuren komt, een pandemonium los van schreeuwende dragers, taxichauffeurs, gidsen, hotelpick-ups en andere ritselaars en dat kan flink overweldigend zijn als je daar versuft door jetlag in verzeild raakt. In Nepal hadden we het opgelost door het eerste hotel via Oad te regelen zodat een hostess ons opwachtte op het vliegveld. Niettemin gristen een paar snelle jongens de bagage uit onze handen en toen we hen bezorgd achterna renden bleken ze deze keurig naar een Oad-busje te brengen. Wel eisten ze fooi natuurlijk. Bij gebrek aan roepies gaven we ze een paar euro. Een kapitaal, ontdekten we later.

Het busje bracht ons naar Summit Hotel in Patan, een voorstad van Kathmandu. Dit bleek een fraai hotel, eigenlijk een verzameling houten bungalows rond een tuin. Na een briefing over excursies en diner vielen we uitgeteld in slaap.

Durbar Square, Patan



Bodhanath

Goed, we hadden dus een spannend dagje Patan gehad. Daarmee hield ons Oad-arrangement op. De volgende dag moesten we het hotel uit, en Nepal ín. Brrr...

Gelukkig hadden we die, eh, mobiele monnik nog. We belden hem. Hij nam nog op ook. Hij woonde in Bodhanath, een andere voorstad van Kathmandu, een half uurtje met de taxi. We spraken af bij de grote stupa, we konden hem herkennen aan een rode pet, zei hij in krakkemikkig Engels. Eenmaal aangekomen bij die stupa werden we overlopen door honderden monniken, allemaal bezig rond te cirkelen rond het enorme bouwwerk, allemaal identiek gekleed, en velen met een rode pet. Gelukkig waren wij als toerist makkelijker te herkennen en vond Karma óns. Hij was een kleine, pezige man met een knap gebruind uiterlijk, jaartje of vijfendertig, gekleed in de traditionele rode monniksmantel met daaronder stevige sandalen, op z’n hoofd inderdaad een grote rode honkbalpet. Karma leidde ons naar een hotel dat hij had geregeld. Op de prima hotelkamer, met uitzicht op de stupa, voerden we een eerste gesprek, dat ietwat moeizaam verliep: niet alleen liet het Engels van Karma dus te wensen over (vooral z’n uitspraak), maar hij dacht diep na voor hij sprak, liet lange stiltes vallen en reageerde soms helemaal niet. Het was een beetje werken, vonden we. Monnikenwerk zogezegd.

Kamer met uitzicht


Bhaktapur

Bhaktapur is een wonderschoon oud stadje, ongeveer een uur met de taxi vanuit Bodhanath. Het is een World Heritage Site van Unesco: dat betekent dat er een groot hek omheen staat en je entree moet betalen, alsof je een museum betreedt.

Maar...je betréédt ook een museum, een openlucht tentoonstelling van tempels, beelden, ramen van houtsnijwerk, alles verspreid over talloze pleintjes en straatjes die baden in hetzelfde stoffige, gouden Himalayalicht en waar het –mede dankzij die toegangspoort– heerlijk rustig is. De enige drukke plek is het pottenbakkersplein waar de bakkers hun potten voor je uitstallen.

Durbar Square in Bhaktapur

Het verhaal van Yadu

Zaterdag 6 november 2004. We zijn net door de taxi afgezet in Bhaktapur en lopen naar de toegang. Zoals gebruikelijk werden we besprongen door jongens die hun diensten als gids aanboden.

We wimpelden iedereen af, even geen zin in een Engels stamelende local die nauwelijks meer wist dan jij,  iets wat overigens de nodige assertiviteit vereiste want nee is nooit in één keer nee in Nepal. Maar het lukte, we betaalden en waren binnen, op het plein aan de ándere kant van het hek. Operatie geslaagd, dachten we...en op dat moment sprak Yadu ons aan. Een kleine tengere jongen in spijkerbroek en rood trainingsjack, zeventien jaar oud. Hij wilde ons rondleiden, om z’n Engels te oefenen, niet voor geld, nee nee, zei hij. Ja ja, dachten wij. Waarom we dan toch akkoord gingen mag een raadsel heten. Misschien was onze voorraad ‘nee’ even uitgeput na die veldslag bij de ingang, of misschien voelden we op een bepaalde intuïtieve manier aan dat Yadu bijzonder was. Hoe dan ook, we gingen met hem op pad.


Chitwan

De zus van Karma heette Karma. Zo ging dat in Bhutan, kennelijk. Je noemt iedereen Karma en je hebt als land meteen een heleboel karma.

Deze Karma woonde ook in Bodhanath en was getrouwd met en man die Kinley heette en ons kon helpen, volgens Karma. Ónze Karma. We zochten hen op. Ze bewoonden met kun kinderen een ruime flat en aan alles was te zien dat deze mensen, voor Nepalese begrippen, niet slecht boerden. Kinley zelf was een hoffelijke man met veel humor, maar je kon merken dat hij gewend was de lakens uit te delen. Hij was oprichter en directeur van een school ( Pegasus English School) én had een soort trekkingbureautje,  hoe dat precies samenhing werd ons niet helemaal duidelijk. Door zijn uitstekende Engels en het feit dat hij in Europa was geweest, kregen we het gevoel dat hij Westerlingen begreep en vertrouwden we hem.

Dat moest ook wel. Want al snel deed zich een fenomeen voor waar we nadien vaker mee te maken hebben gehad, en dat wel een klein beetje went, al blijft het heikel: ineens moet je een smak geld toevertrouwen aan een vreemde. In arme landen wordt zelden iets op krediet gedaan. Het is boter bij de yak. Kinley wil geld hebben, omdat de mensen en diensten die hij gaat regelen óók geen stap zetten zonder geld. Het pakket dat Kinley ons aanbood, een fantastisch pakket, een droompakket, vereiste dat wij ál onze traveler cheques  nu ter plekke aan hem overhandigden, getekend en wel. We slikten en keken naar elkaar. Maar ja…wat kon er fout gaan met zoveel Karma in de familie? We deden het dus. En het is goed gegaan, zoals het in de jaren daarna, bij soortgelijke dubieuze transacties, áltijd goed is gegaan. We zijn nog nooit belazerd op deze manier. Wel op andere manieren, overigens. (DEZE manier bijvoorbeeld.)

Annapurna

Van de tien hoogste bergen ter wereld liggen er acht in Nepal. De meeste liggen helemaal in het oosten, in het Everest-gebied, maar je vindt ook een aantal in het Annapurna-massief, meer naar het westen toe. En daar gingen wij nu naartoe.

Je kunt er verschillende trekkings doen, onder andere de Annapurna Circuit waarbij je om het hele masief heenloopt, misschien wel de mooiste en compleetste trekking ter wereld. In een interview met Sting las ik ooit dat hij met ieder van z’n kinderen (hij heeft er vier) deze wandeling doet als ze 18 worden. Voor de hele Circuit kun je echter zo’n drie weken uittrekken en zoveel tijd hadden we niet, daarom deden wij alleen de ‘linkerpoot’ ervan. Daartoe vlogen wij vanaf Pokhara met een klein vliegtuigje naar Jomson, het startpunt, op 2800 meter hoogte. Het is een van de spectaculairste vluchten ter wereld, want je vliegt door wat ze noemen ‘het diepste ravijn op aarde’, ofwel tussen twee bergen door van 8000 meter, de Dhaulagiri en de Annapurna.


Everest

Na een paar dagen recupereren in Bodhanath vertrokken we op maandag 22 november naar ons ultieme reisdoel, de Mount Everest. Dat betekende eerst een stuk vliegen, van Kathmandu naar Lukla, in het Everest-gebied. Lukla is een van de meest beruchte vliegvelden ter wereld.

Het bestaat uit een landingsbaantje van 600 meter dat letterlijk schuin tegen een berg oploopt zodat je aan de ene kant een afgrond hebt en aan de andere kant een rotswand. De marges voor fouten is minimaal. Alleen bij goed weer kan er op gevlogen worden, wat betekent dat vluchten net zo vaak niet als wel gaan, en dat hoor je pas op de dag zelf. Wij hadden geluk: zowel de heen- als terugvlucht verliep volgens planning. Maar het komt regelmatig voor dat toeristen dagenlang vastzitten in Lukla, wachtend op verbetering van het weer.

Vliegveld van Lukla

Afscheid

Weer terug in Bodhanath begon het afscheid nemen. We hadden besloten Karma en de gidsen te trakteren op een etentje, dat leek ons gezellig. Karma wist een ‘goed tentje’ in hetzelfde straatje als ons hotel.

Jullie mogen alles kiezen, zeiden we. Alles van de kaart, wat je maar wil. En wat wilden ze? Dal bhat, rijst met linzen. Hetzelfde dat ze elke dag aten, ‘s morgens, ‘s middags en ’s avonds. Dat schoven ze naar binnen als uitgehongerde katten en vervolgens begonnen ze onrustig heen en weer te schuiven op hun stoel. Gezellig natafelen was er met deze jongens niet bij. (Dit gold voor de gidsen, niet voor Karma.)  In mum van tijd waren we weer terug op onze hotelkamer, een ervaring rijker. Later kwam Dau ons nog opzoeken om ons beiden een khata om te hangen, een wit ceremonieel sjaaltje, een mooi gebaar dat ons verraste van de gesloten Dau.


Barcelona

April 2004

Gaudi, Guell, Miró. Dat kwam allemaal voorbij tijdens een weekendje Barcelona met Christel in april 2004.

Crans

Januari 2004

De ouders van mijn vriend Jeroen hadden een huisje gehuurd in het Zwitserse Crans, in het bekende skigebied Crans-Montana. Christel en ik gingen langs, samen met mijn zus Leonie. Verder had Jeroen ook nog zijn vriendin Gerda met haar dochtertje uitgenodigd, dus het was een dolle boel.

Nou ja, bij wijze van spreken. Er werd vooral veel gelezen en hier en daar een spelletje gespeeld. Christel en Leonie wilden graag skiën, maar helaas was het weer niet al te best en bleef het bij één dagje op de lange latten . Ook een dagtripje naar de Matterhorn moest halverwege worden afgebroken vanwege een aanhoudende sneeuwbui. 

 

 




Herfst 2003

Een weekendje dit keer, niet een hele week, en de aanleiding was nou eens niet de trouwdag van mijn ouders, maar de trouwdag van mijn zus Natalie. Vrijdagmiddag trouwde ze, en direct daarna reden we met de hele familie naar de Ardennen - dus eigenlijk was het háár huwelijksreis.

Maar voor de rest was het gezellig als altijd. Bijzonder was een verrassingsuitstapje waarbij we in een busje werden gezet en ergens naar de middle of nowhere werden gereden voor geen idee wat. Het bleek dat we speleologie gingen doen, ofwel klimmen en klauteren door grotten. Geweldige ervaring.

Waar het huisje precies was weet ik niet meer, ergens tussen Tenneville en La Roche.






Portugal 2003

31 juli - 25 augustus 2003

Onze reis door Australië per camper in 2002 (HIER) smaakte naar meer – meer camper. En zoals het zo vaak gaat in het leven duurde het niet lang of er kwam op wonderbaarlijke, schijnbaar toevallige wijze ineens een camper uit de lucht vallen. De onnavolgbare Willem de Ridder, grondlegger van de ‘spiegologie’, noemt dat ‘bestellen’: het creëren van je eigen werkelijkheid door je echte wensen uit te spreken.

Vrienden van mijn ouders kochten een nieuwe camper, en hun oude ging voor een prikkie onze kant op. Als Christel en ik niet zo enthousiast met camperverhalen waren teruggekomen uit Australië was dat wellicht nooit gebeurd – zo werkt bestellen. Het werd een familieproject: mijn vader deed het onderhoud, mijn moeder de boekhouding, en wij…eh?



Heenweg

  Augustus 2003
 
We vertrokken op donderdag, 31 juli. Eerst vanuit Wieuwerd, waar het campertje bij m’n ouders stond gestald, naar Utrecht; spullen inladen; en halverwege de middag echt op pad, naar het zuiden. Aanstaand weekend was het weekend van zwarte zaterdag, de drukste dag op de Franse snelwegen, en het leek ons verstandig dat pandemonium voor te zijn.

Het mooiste plekje van de wereld

Augustus 2003 
 
Het verhaal in onze familie luidde altijd: we hebben het riviertje niet gevonden, we zijn er naar beneden gedonderd. Dat was wat m’n vader zei tegen het Nederlandse gezin dat, aangelokt door het idyllische plaatje van onze camper aan het water, polshoogte kwam nemen en vroeg hoe wij deze plek in godsnaam hadden gevonden.


Coïmbra, zee en Lissabon niet

Augustus 2003

Aan de overkant van Rio Côa begon Portugal, en eindigde ons plan. Hèt riviertje vinden was ons doel geweest: verder hadden we niet gekeken. We herinnerden ons over Coïmbra goede dingen te hebben gehoord, dus stuurden we die kant op.

Porto

Augustus 2003

Porto schrijf je port plus een o. Of zoals de Portugezen zelf doen, port plus twee o’s: Ó porto. Dé haven.

De naam komt rechtstreeks van de Romeinen, die de plaats stichtten en ‘porto cale’ noemden, de haven van Cale. Wie die kale was doet het verhaal niet. Het land ‘Portugal’ ontleent z’n naam dus aan deze plek. En ook port, het bekende zoete drankje, is genoemd naar de plaats Porto, niet andersom zoals ik altijd dacht.


Terug

Augustus 2003

Branganca ligt in het uiterste noorden van Portugal, slechts gescheiden van Spanje door een groot natuurgebied, het Parque Natural de Montesinho. We hebben er twee dagen op een camping gestaan. Gratis, geen beheerder gezien.


Australië 2002

Onze eerste verre reis samen ging naar Australië en stond in het teken van familie. We bezochten mijn oom en neven in Townsville, geëmigreerd in de jaren zestig. En we vierden Kerst met de ouders en zus van Christel die tegelijkertijd in het land waren. Tussendoor reden we achtduizend kilometer met vier verschillende auto's, langs imponerende decors van oerwoud, oceaan en woestijn, ons vergapend aan kangoeroe en koala, papegaai en possum, Aboriginal en Australiër.



Vliegen

20 - 23 november 2002

Australië betekent vliegen. Heel ver vliegen. Voor mij was het pas de derde keer in m’n leven dat ik in een vliegtuig stapte en nog nooit had ik zo’n lange intercontinentale vlucht gemaakt.

Eerst naar London, vandaar met Quantas naar Singapore en dan nog eens met Australian Airways voor het laatste ‘stukje’ naar Cairns... Anderhalve dag waren we onderweg en ik vond het een geweldige belevenis. Veel mensen zeggen een hekel te hebben aan vliegen, en ik kan me dat ook wel voorstellen, maar zelf vind ik vliegen heerlijk. Lezen, films kijken, muziek luisteren...eindelijk kun je naar hartelust bezig met je hobby’s, urenlang, ongestoord, zonder je schuldig te hoeven voelen omdat je eigenlijk iets nuttigs hoort te gaan doen, zoals een van die klusjes die thuis altijd wachten. Eten en drinken komt vanzelf je kant op, persoonlijk uitgeserveerd door een leuke stewardess. En natuurlijk, het is niet ideaal om urenlang in zo’n stoel te moeten zitten, maar als je klein bent zoals ik gaat dat best en daarnaast heb ik het geluk altijd te kunnen slapen, in iedere houding en in ieder soort vervoer, dus ook in een vliegtuigstoel.


Cairns

23 - 24 november 2002

Cairns dus. Een bescheiden plaatsje aan zee. Vierkant stratenpatroon, zoals overal in Australië.

Verkeer kabbelde rustig door de langgerekte straten, in het centrum een kleine voetgangerszone waar het niet druk was. Het stadje voelde ontspannen aan. Bij het VVV informeerden we naar mogelijkheden om Kuranda te bezoeken, een tropisch regenwoud, en een uurtje later werden we al opgepikt door een klein toeristenbusje met een vriendelijke chauffeur die kakhi shorts droeg en precies zo sprak als Crocodile Dundee. No worries, zei hij steeds. Geen zorgen. Een standaard uitdrukking in Australië, we zouden het nog vaak horen. No worries. Eenmaal bij onze bestemming aangekomen (The Skyrail) stapte de man razendsnel achter het stuur vandaan en de bus uit, liep met verende tred naar de ingang, hield de deur voor ons open, wees naar de kassa, zei bye bye have a nice day en liep weer terug, dit alles in één vloeiende, elegante choreografie . We waren met stomheid geslagen. Wat attent! Wat aardig! Wat was dit voor sprookjesland? En dan moest het regenwoud nog beginnen!


Townsville

24-30 november 2002

Het is een fraai oxymoron: verre naasten. Familie die eigenlijk vreemd is. We gingen op bezoek bij familie die we helemaal niet kenden, te weten de broer van mijn vader (Klaas) en diens zonen John en Nick.

Klaas, mijn oom dus, had ik eenmaal ontmoet een jaartje of tien geleden toen hij een tijdje over was vanuit Australië en bij mijn ouders logeerde. John en Nick, mijn neven, had ik nog nooit gezien of gesproken en ik had zelfs nog nooit een foto gezien. Kortom, een warme familieband kon je het niet noemen.

Uiteraard kwam dat door de afstand, Australië lag nou eenmaal aan het einde van de wereld, zeker in de tijd voor internet, goedkoop bellen en Skype. Maar meer nog kwam dat omdat ikzelf om wat voor psychologische kronkel dan ook nooit echt interesse in m’n familie heb gehad, ook niet in familie hier te lande, dus laat staan in die verre verwanten down under die je nooit per ongeluk op een verjaardag of jubileum tegenkwam.  Ik koesterde dan ook weinig verwachtingen over de aanstaande ontmoeting en we gingen er zo’n beetje vanuit na een dag of drie wel weer ons weegs te kunnen gaan. Hoe zouden we ons vergissen! Want vanuit de Australische kant bestond wèl grote interesse in dit –behoorlijk zeldzame– familiebezoek vanuit Nederland en we werden met zoveel hartelijkheid en warmte ontvangen, en met zoveel verlangen om ons hun Australisch leven te laten zien, dat we tijd te kort kwamen en uiteindelijk een week zouden blijven.


Met Leanne, Carissa en Phoebe


Naar Brisbane

 30 november - 6 december 2002

Australië is groot. Heel groot. De oostkust is zo’n 3300 kilometer lang en dat is dan de kòrte zijde van de rechthoek die het land vormt.

En die oostkust gaan we nu helemaal afrijden. Eerst naar Brisbane om de camper op te halen en dan verder naar het zuiden, richting Sydney en Canberra, om uiteindelijk in Melbourne aan de zuidkust uit te komen. Daar gaat namelijk een andere familiereünie plaatsvinden, met de zus en ouders van Christel. Maar dat is pas over drie eeuwen, met kerstmis.

Naar Sydney

 6 – 10 december 2002

Een camper betekent voor mij pure nostalgie. Ik ben ermee grootgebracht. M’n ouders hadden er eentje en als ik aan vakanties van vroeger denk komen onherroepelijk herinneringen boven aan die grote jaren zeventig Toyota-bus, bijvoorbeeld aan mijn vaste slaapplek, een hangmat boven de achterbank waarin ik deed alsof ik sliep terwijl ik ondertussen luisterde naar het gestommel van m’n ouders die aan tafel zaten te drinken en te kaarten.

Het voelde veilig, vertrouwd, knus, een universum op wielen. Stripboeken lezen op de bank, luisteren naar een bandje van André van Duin, bladeren in Het Beste Boek van de Weg, en ondertussen vlogen de kilometers voorbij en waren we alweer bij een nieuw meertje om te zwemmen. Regelmatig gingen we zomaar ergens staan, bij een rivier, een strand, zo lang er maar water in de buurt was. Wat leek ons huis ineens groot en leeg als we na een maand camperen weer thuiskwamen!


Sydney

10 – 13 december

Sydney is de plek waar Australië is ‘begonnen’. Het was hier dat dat verre, geïsoleerde eiland door een handvol Europeanen  ruw werd wakker geschud uit z’n prehistorische sluimer en meegesleurd naar een nieuwe tijd en een nieuwe bestemming, als de grootste gevangenis van de wereld, een perfecte dependance van het overvolle gevangeniswezen van Engeland waar iedereen die iets van de adel stal, al was het maar een appel, meteen jaren vastzat.

De geschiedenis startte met James Cook, die er in 1770 als eerste Europeaan voet aan wal zette. Hoewel, als eerste? Robert Hughes schrijft daarover in zijn klassieker ‘The fatal shore’: “Het tijdstip om aan land te gaan was gekomen. Een jonge adelborst, Isaac Smith genaamd, stond in de voorsteven. Nog jaren later, na vele bevorderingen, zou admiraal Smith –een neef van Cook’s vrouw- trots aan iedereen vertellen hoe de grootste zeevaarder van de geschiedenis geaarzeld had alvorens uit de barkas te stappen, zijn schouder had aangeraakt en tegen hem had gezegd: ‘Isaac, jij gaat het eerst aan land. ‘ ” De locatie werd eerst Stingray harbour genoemd (vanwege de vele stingrays, roggen), maar dat veranderde snel in Botany Bay.
 

Blue Mountains

13 - 14 december 2002

Het plan is om vanuit Sydney naar Melbourne te rijden, via hoofdstad Canberra. Dan hebben we gelijk alle Australische steden gehad die de gemiddelde Nederlander kan opnoemen. Goeie vraag is dan welke van die drie de hoofdstad is, dat zal voor de meesten een gok zijn.

We hebben zo’n 1000 kilometer voor de boeg, en dat terwijl je eigenlijk alleen maar wat aanklooit in het uiterste zuidoostelijke hoekje van Australië. Je blijft je verbazen over de grootte van dit land.


Canberra

14 - 16 december 2002

Canberra is een lachende derde. Toen er een hoofdstad gekozen moest worden vochten Sydney en Melbourne, de twee reuzen in Australië, om de eer en de pegels, en ter voorkoming van problemen werd besloten de vette kluif dan maar ergens in de outback te gooien en op die plek, zo’n beetje halverwege beide rivalen, een hele nieuwe residentie te bouwen. 
 
Vanaf 1915 werd een regeringsstad geassembleerd, stukje bij beetje, gehinderd door wereldoorlogen en ‘the great depression’. Pas in de jaren vijftig bereikte Canberra iets wat op voltooiing ging lijken. Het ontwerp kwam van Amerikaanse architecten en lijkt op een soort raderwerk bestaande uit grotere en kleinere tandwielen (rotondes, pleinen) verbonden met spaken (hoofdwegen). Daartussen een hoop groen en een stuwmeer. De hond die een eeuw geleden met het bot wegliep is dus een nieuw, breed uitgemeten stadsproject dat behalve parlement en ministeries ook nog het hooggerechtshof herbergt en de nationale bibliotheek, plus tal van nationale musea. Bewoners zijn politici, ambtenaren en studenten. Daardoor is Canberra ook de rijkste stad van het land.


Uitzicht vanaf Capital Hill

Naar Melbourne

16 - 20 december 2002

Ons campertje zet koers naar Kosciuszko National Park. Dit is een nationaal park rondom de hoogste berg van Australië, Mount Kosciuszko, 2228 meter hoog. Gelegen in de Snowy Moutains, de enige plek in Australië waar wel eens dat witte spul ligt waarover schoolkinderen hier lezen in de boeken. 

Mocht je het vage gevoel hebben dat de naam niet helemaal Australisch klinkt, you’re dead right, de berg is genoemd naar een of andere Poolse vrijheidsstrijder uit de achttiende eeuw. Beetje raar misschien…maar niet raarder dan een berg in Nepal noemen naar een Engelsman, en niet naar de koning of een ontdekkingsreiziger of enige andere beroemdheid, maar naar een ambtenaar, het hoofd van de landmeterdienst, George Everest.


Great Ocean Road

20 - 25 december 2002

Het was eigenlijk Merel die ons naar Australië had gebracht. Zij, de zus van Christel, 25 jaar, was klaar met haar studie, had geen baan, woonde nog thuis op zolder en dacht kom, laat ik m’n ouders eens een hartverzakking bezorgen, ik zeg gewoon dat ik naar de andere kant van de wereld vertrek voor een jaar. In februari was ze op het vliegtuig gestapt.

Dat was op hetzelfde moment dat Christel en ik onze levens gingen delen, en het grappige feit deed zich voor dat ik Merel pas in Australië voor het eerst ontmoette. Ik kende alleen de foto’s van een steeds bruiner wordend meisje met een grote grijns. Ze werkte hier, ze werkte daar, en in december werkte ze in Melbourne en woonde in het appartement van een vriendinnetje.

Melbourne Central Station


Ayers Rock

25 - 31 december 2002

Het hart van Australië is een woestijn. Droog, kaal, bar. Onverbiddellijk.

De temperatuur loopt er op tot 50 graden, regenen doet het er zelden. Wat er leeft zijn woestijndieren: hagedis, slang, geïmporteerde kameel. En Aboriginals. Net als de dieren om hen heen zijn ze volledig aangepast aan hun leefomgeving, het land past hen, als een handschoen. Tussen de wolkenkrabbers van Sydney valt je dat nog niet zo op. Maar hier, in het hart van Australië, is het duidelijk.